Dora, een geschiedenis: Vies

Dora, een geschiedenis  is nog steeds één van mijn lievelingsboeken. In dit eerste verhaal uit dat boek is Dora vier jaar, en het is vlak na de tweede wereldoorlog, herfst 1945. De lezer kijkt met haar ogen mee naar haar beschadigde wereld, maar wij begrijpen veel dat zij nog niet begrijpt.

 

VIES

 

Regen is water uit de lucht en niet uit de kraan. Ik teken de regen makkelijk, gewoon strepen met het potlood, maar voor­zichtig dat de punt niet breekt. Er zijn geen potloden in de winkels, zegt mammie, ook niet op de bon. Ik teken een vogel in de regen, en een boot op de grond. Daar moet ook water bij, dat kan ik ook, met golfjes maak ik het.

‘Mammie kom es, ik heb een watertekening gemaakt.’

Mammie hangt de tekening op de lap aan de muur, maar ik mag niet aan de spelden komen want die prikken en dan heb ik bloed. Er was eens een jongetje die trapte in een speld en toen was er zoveel bloed dat zijn hele voet er af was gegaan.

Ik kan aan mijn voet al mijn tenen tellen, éen twee drie vier vijf, en met mijn andere voet erbij zes zeven acht negen tien. Mammie en ik gaan samen in bad als we naar de dominee gaan omdat er hier op de boerderij alleen water in de keuken is en mammie wil niet in haar blootje dat iedereen het kan zien. Je blootje is niet voor iedereen, zegt mammie, maar ik mag mammie wassen. Ik doe mijn hand in het waswantje om te boenen over mammie’s been, helemaal van de tenen naar de bovenkant. De haartjes doet mammie zelf. Mammie en ik hebben alles dezelfde kleur maar Mirjam in het klasje heeft ook zwart haar en haar moeder heeft geel haar en haar vader ook. Als je verschillend bent ben je geadopteerd, zegt mammie. Soms wonen kinderen bij mammie’s waar ze uit de buik zijn gekomen en soms bij de mammie’s die ze hebben geadopteerd. Het is niet hetzelfde en toch maakt het geen verschil, zegt mammie, maar dat begrijp ik later pas, zegt mammie.

 

Mirjam en ik zijn bijna hetzelfde, Klaasje in het klasje zegt dat we een tweeling zijn maar dat is niet waar. Een tweeling is dat je samen geboren bent zegt mammie maar Mirjam weet niet eens wanneer ze jarig is en ik ben in de stad met de jamfa­briek geboren. Dat weet ik niet meer zelf, mammie heeft het verteld. Weet ik het ook niet meer van toen de bommen uit de lucht kwamen? vraagt mammie, maar dat weet ik ook niet meer. In de oorlog was dat, maar de oorlog is nu einde­lijk afgelo­pen en daarom is het klasje. Eerst kon het niet maar nu kan het weer. De grote mensen moeten alles opr­uimen van de oorlog, en als ze daarmee klaar zijn hoef ik niet meer naar het klasje want dan gaan we hier weg. Het klasje is niet leuk maar het moet. Ik mag er niet eens lezen, alleen voorle­zen en stilzit­ten mag er. Toch kan ik al lezen want mammie heeft het me geleerd. Juf gaf me een boekje met streep­jes in alle lange woorden en toen heb ik gezegd ik hoef geen streepjes meer, ik kan al echte woor­den lezen. En toen keek juf boos. Juf is niet lief, voor mij niet en voor Mirjam ook niet. Daarom doen we toch maar of we een tweeling zijn, maar Mirjam huilt altijd zo gauw. Ik huil nooit want ik ben een flinke meid en ik zorg altijd voor mammie als ze moe is van de oorlog. Mammie huilt als ze naar bed gaat, als ze zo kijkt dat ik weet dat ze aan het andere land denkt en aan de oorlog. Dan ga ik heel stil zijn en zitten lezen in de hoek van de kamer, dat ze rustig kan uitrusten in bed en dat ik niet lastig ben. De hele dag ligt mammie in bed en boerin Van Dalen is boos op mammie, maar boer Van Dalen zei laat haar toch, het arme mens. Ik heb mammie’s bord naar boven gedragen en zonder morsen op de trap, maar ze had toch geen honger en toen heb ik het spek gekregen. En in bad bij de dominee huilde mammie, de eerste keer. Omdat ze eindelijk schoon werd, zei mammie.

 

Ik kon er niks aan doen. Ik heb mammie verteld dat ik er niks aan kon doen. Ik had wel mijn vinger opgestoken, juf zegt van niet maar dat is niet waar, ze heeft het gewoon niet gezien of zoiets, omdat ik achterin de klas zit bij Mirjam. Mirjam kan niet zo goed kijken. Ze moet van de juf  helemaal achterin de klas zitten maar als de juf iets op het bord maakt kan ze het niet zien. Ik heb tegen de juf gezegd dat Mirjam voorin moest zitten maar dat was brutaal. Ik zit bij Mirjam en ik zeg tegen haar wat er op het bord staat als ze het niet kan zien. Maar juf  kan zelf ook niet goed kijken of zoiets want ik had toch echt mijn vinger opgestoken. Juf las voor van het hondje zonder baas en we moesten stilzitten en mijn overall naar beneden  kon ik niet alleen. De plas lag op de grond. Klaasje zag het. Klik­Klaas­je. Toen hield juf wel op met lezen. Ze deed mijn overall helemaal uit, zo hard dat het pijn deed. Mijn broekje ook. Maar ze ging niet mijn overall en mijn broekje bij de kachel hangen net als de natte jassen. Ze pakte heel hard mijn oor en ik moest mee naar de andere klas en de juf en de kinde­ren van de andere klas moes­ten ook zien dat  ik een vies meisje was. En toen pas ging juf mijn overall en mijn broekje bij de kachel ophangen. Ik vroeg of ik mijn jas aan­mocht maar da­t mocht niet. Ik moest in mijn blootje voor iedereen in de klas blij­ven zitten. Mirjam huilde, maar ik heb lekker niet ge­huild.

Mammie is zo boos op de juf! Ze heeft me naar het klasje ge­bracht en toen is ze met de juf en de juf van de andere klas naar binnen gegaan. Juf schreeuwde maar ik mag de woorden niet zeggen; juf schreeuwde de woorden die mammie zo erg vindt dat ze ervan in bed moet liggen, de woorden over het andere land waar mammie geboren is en nog meer erge woorden van de oorlog. Maar nu ging mammie niet naar bed want ze is naar de moeder van Mirjam gegaan en voordat we in bad gingen heeft ze het ook tegen de dominee gezegd. De juf is een vies mens, zegt mammie.

We zitten in bad, het grote bad met de leeuwepoten van de dominee. De kast in onze kamer heeft ook leeuwepoten maar dat is toeval, zegt mammie, dat betekent niets. Ik mag mammie weer wassen. Mammie is niet vies en ik ook niet, zegt mammie, ook al heb ik in mijn broek geplast. Plas is water uit je buik en het is niet vies en toch wel. Toen ik klein was, zegt mammie, deed ik gauw mijn hand erin als ik plaste om te voelen of het warm was. En toen ik op het potje moest leren plassen, net zo’n potje als op de wc in het klas­je, deed ik het wel eens over mijn hoofd, zei mammie, dat het potje een muts was of zoiets. Toen was ik ook nog klein, en nu ben ik vier. Maar dat ik nou op school in mijn broek heb geplast was niet mijn schuld, zegt mammie. De juf zou eigen­lijk weg moeten maar dan moeten ze eerst een andere juf vin­den, zegt mammie, de dominee heeft beloofd dat hij iemand zal zoeken die liever is. Ik ga hele­maal liggen in het bad, ach­terover op mam­mie’s buik, het is bijna of ik zwem. We gaan je haar wassen, zegt mammie, ga maar even onderduiken met je hoofd, durf je dat? Onderduiken! Nou zegt mammie het zelf, een woord van de oorlog! Nee hoor, zegt mammie, in water is het wat anders en bovendien, nou zijn we niet meer onder­ge­doken want de oorlog is voorbij, ook al wonen we nog bij boer en boerin Van Dalen. Dat weet ik heus wel, zeg ik, ik weet nog makkelijk dat het feest was, maar voor Mirjam was het geen feest.

 

Ik hoef niet naar het klasje want de juf is er nog steeds. Mirjam gaat wel maar als het klaar is en ze gegeten heeft spelen we samen. We zoeken wel honderd verschillende stenen in het grint en die leggen we steeds anders bij elkaar dat de soorten kloppen. Bij boerin Van Dalen mogen we niet binnen natuurlijk maar in de keuken van Mirjams moeder mogen we met water spe­len dat we appelschillenthee maken, we doen water in kopjes en in de pan en we gieten het uit de gieter in een fles, heel moei­lijk. Mirjam zegt dat de juf haar boterham heel hard in haar mond heeft gepropt want ze at niet vlug genoeg zei de juf. En altijd pakt ze ons oor. Is oor en oorlog het­zelfde woord? heb ik aan Mirjams moeder gevraagd. Mirjams moeder vindt ook dat de juf wegmoet maar de dominee kan nie­mand vinden. Of ze zouden ons op de fiets naar een ander dorp moeten brengen, daar hebben ze een echte kleuterschool. Maar dat is tien kilometer, zegt mammie, dat kan ik niet lopen en zij ook niet want ze heeft haar wandelschoe­nen bij een Cana­dees geruild voor twintig pakjes Gold Flake, maar die zijn allang op.

 

Ik moet toch weer naar het klasje want anders kan mammie niet werken bij de dokter en als ze niet werkt verdient ze geen geld en als we hier dan weg willen gaan kan ze de trein niet betalen. Maar de trein doet het voorlopig nog niet want de rails zijn kapot.

Ik zeg helemaal niks tegen de juf. Ik kijk niet eens naar haar, ze hoeft niet te denken dat ik bang ben of zoiets. Behalve als ze iets gaat uitleggen, van hoe je de reepjes krantepapier verschillend in de matjes moet vlechten, dan doe ik mijn vinger omhoog en ik zeg: ik snap het niet juf, wilt u het nog eens uitleggen? En dan zegt ze het helemaal nog een keer en als ze klaar is zeg ik: o bedoelt u dat? Dat wist ik allang! En dan kijkt ze zo boos! En toen we leerden tellen heb ik het weer gedaan. Precies hetzelfde. Want ik wil ik wil… ik wil dat de juf heel erg moet huilen of zo­iets.

 

Ik vraag aan mammie of ik niet naar het klasje hoef, en wan­neer gaan we hier dan weg? We gaan eerder weg als jij naar het klasje gaat, zegt mammie, liefje zegt ze, ik kan er ook niets aan doen.

We moeten gaatjes prikken langs het randje van de tekening. Mirjam kan het niet. Mammie zegt dat Mirjam een bril moet, maar iedereen heeft van de geldzuivering maar éen nieuw tien­tje gekregen en ik denk dat er geen brillenbonnen zijn. Ik kan heel goed prikken maar Mirjam wordt boos op de tekening en ze duwt de naald heel erg boos in het papier, ik zie het. Voor­zichtig, zeg ik, maar o o, het is al te laat, Mirjam heeft in haar vinger geprikt. Heeft ze bloed? Ik kijk gauw. Nee, geluk­kig niet. Maar Mirjam huilt wel, heel hard. Daar komt de juf. Wat doet de juf nou, ze pakt Mirjam heel pijn bij haar oor. Na­tuurlijk gaat Mirjam nog veel harder huilen.

Maar nou weet ik wat ik er aan kan doen! Ineens weet ik het, zomaar! Ik hol gauw naar de wc en doe een plas op het potje. Ik kan allang op de wc-bril zitten, maar ik kies het potje. Ik neem het potje met plas mee naar binnen. Juf ziet het niet, ik zie alleen haar rug, ze zit op haar hurken en ze kijkt naar Mirjams vinger. Niks aan de hand huilebalk, zegt ze boos.

Ik doe het potje boem als een muts op het hoofd van de juf. Alle plas valt uit de lucht in strepen over haar gezicht. Als ik weghol moet ik lachen. Want het past precies.

 

 

 

 

Uit:  Dora, een geschiedenis.