Afke en haar eiland: Stormschoenen

Afke en mamma zijn naar de wal gegaan om schoenen te kopen.

In het dorp op hun eiland is geen schoenwinkel. Als je schoe­nen wilt, moet je met de boot naar Harlingen. Over de Wad­denzee.

Afke wilde het liefst lakschoentjes, maar dat mocht niet. Lakschoentjes zijn van voren te smal voor Afke. Haar kleine teentjes groeien namelijk een beetje krom. Als die teentjes niet genoeg ruimte krijgen gaan ze helemaal dubbel zitten onder de andere tenen, en dat moet niet. Dubbele tenen doen pijn als je loopt. Moisschgien nu nog niet, maar later vast en zeker.

Mamma heeft met de mevrouw van de schoenwinkel een paar sport­schoenen uitgezocht. Ze hebben een heleboel verschilllen­de kleu­ren en een plak­strip. Deze schoenen kan Afke zelf aan en uit doen.

‘Je kunt ze aanhouden,’ zegt mamma. ‘Dan gooit de mevrouw van de schoenwinkel je oude schoenen wel weg.’

‘Ik wil mijn nieuwe schoenen wel aanhouden,’ zegt Afke. ‘Maar de oude mogen niet weggegooid. Ik vind ze lief.’

‘Toch mag je ze niet meer aan,’ waarschuwt mamma. ‘Ze zijn je echt te klein.’

‘Maakt niet uit,’ zegt Afke. ‘Het zijn toch mijn schoenen.’

‘Vooruit dan maar,’ zegt mamma. ‘Maar je moet ze zelf dragen. Ik heb mijn handen al vol aan de andere boodschappen.’

De mevrouw van de schoenwinkel doet Afkes oude schoenen in een plastic tas.

Buiten bekijkt Afke haar nieuwe voeten. De schoenen zijn zwart met paars en groen en roze. Ze zijn mooi, maar lakschoentjes zijn mooi­er.

‘Elselies heeft wel lakschoentjes,’ zegt Afke.

‘Ik denk dat Elselies geen kromme kleine teentjes heeft,’ ant­woordt mamma.

Afke zegt niets.

‘Je zult heus wel aan je nieuwe schoenen wennen,’  zegt mamma. ‘Lopen ze lekker? We kunnen nog mooi even thee drinken bij tante Wiesje voor de boot gaat.’

‘Vooruit dan maar,’ zegt Afke. Als mamma bij tante Wiesje is zitten ze de hele tijd druk met elkaar te praten. Als het maar niet te lang duurt vindt Afke dat niet erg. Tante Wiesje heeft een klein draaimolen­tje waar muziek uit komt, en als Afke voor­zichtig is mag ze daar­aan draaien.

 

Maar als ze bij tante Wiesje hun thee zitten te drinken, begint het plotse­ling vrese­lijk te stormen. De regen slaat kletterend tegen de ruiten en de wind blaast zo hard dat de bomen in tante Wies­je’s tuin er akelig krom van gaan staan.

‘Ojee,’ zegt mamma. ‘Als de boot straks maar gaat!’

‘En als de boot niet vaart, wat dan?’ vraagt Afke bezorgd. ‘Hoe moet dat dan, mamma? Dan kunnen we niet naar huis!’

‘Dan blijven jullie gewoon hier logeren,’ zegt tante Wiesje.

‘Maar ik moet morgen toch naar school!’ bedenkt Afke. ‘Ik kan helemaal niet blijven logeren.’

‘We bellen de school wel op. Je juf begrijpt het best dat je niet kunt komen als de boot niet vaart,’ zegt mamma. ‘Maak je maar niet ongerust.’

Afke kijkt mamma boos aan. Moeders kunnen soms zo stom zijn! ‘Ik moet morgen absoluut naar school! Ik wil toch mijn nieuwe schoenen in de kring laten zien!’

‘Weet je wat, ik bel de rederij even op,’ stelt tante Wiesje voor.

Gelukkig, de mensen van de rederij zeggen dat ze de boot wel willen laten varen.

Afke en mamma lopen door de storm naar de aanlegsteiger. De masten van de boten in de haven zwaaien wild heen en weer.

‘Dat zal me het tochtje wel worden!’ denkt mamma.

Mamma heeft gelijk, het is heel spannend op de boot. De golven van de Waddenzee zijn vandaag meters en meters hoog! Afke drukt haar neus tegen het raam. Ze staat een heel eind boven de zee. Elke keer als de neus van de boot over een golf naar beneden duikt, slaat de zee een grote plens schuim tegen de ruiten. En elke keer schrikt Afke zich opnieuw een hoedje. Het lijkt wel of ze onder water varen! Het lijkt wel of ze een zeemeermin is die in een paleis onder water woont!

Maar dan, na een hele tijd, als ze hun eigen eiland al zien liggen, moet de boot een bocht maken. En behalve op en neer gaat de boot nu ook heen en weer, en dat geeft een raar gevoel in Afkes maag.

‘Zullen we even naar buiten gaan, in de frisse lucht?’ vraagt mamma.

Nee, dat wil Afke niet, buiten stormt het vast nog harder.

De boot stampt en bonkt en schudt zo ver­schrikkelijk, dat mamma’s boodschappentassen omvallen en alle kopjes van de tafel op de grond rollen!

Afke wordt een beetje bang. Wat lijkt het ineens allemaal gevaar­lijk!

‘Weet je nog,’ zegt mamma, ‘dat ik me bij tante Wiesje af­vroeg of de boot wel zou varen? De boot vaart namelijk nooit als het te ge­vaarlijk is.’

‘Nooit?’ Afke wil het echt helemaal zeker weten.

‘Nooit,’ bevestigt mamma.

‘Okee,’ zegt Afke.

Ze zijn al bij de vissershaven die aan de punt van het eiland ligt. Nu is het nog maar een klein eind­je naar de aanlegstei­ger. De boot toetert al om de mensen op het eiland te vertel­len dat ze er aankomen. En daar is de aanlegsteiger – maar wat is dat? Alles staat onder water! De kade is verdwenen, de havenweg met de bushalte staat blank: de hele straat is onder­gelopen. De zee is overal!

Er klinkt een stem door de luidspreker. De stem van de kapi­tein. De kapitein ver­telt dat het water zo hoog is, dat de mensen niet te voet van de boot af kun­nen. Daarom komt er een vracht­auto op de boot om iedereen naar het droge te rijden.

‘Spannend hè,’ zegt mamma. ‘Moet je kijken, lantarenpalen die staan te branden midden in de zee!’

Afke doet haar best om het spannend te vinden, maar het lukt niet zo erg. Ze is nogal moe geworden van die storm en al die opwinding. Haar maagje doet nog een beetje pijn van het stam­pen van de boot, en eigenlijk is ze best nog wel bang. Straks staat haar eigen straat ook nog onder water en moet ze door de zee naar huis lopen. Met haar nieuwe schoenen! En als nieuwe schoenen nat worden, zijn ze niet meer nieuw. En als ze niet meer nieuw zijn, kan ze ze niet meer in de kring laten zien.

‘Ik moet even naar de wc,’ zegt Afke.

In de wc gaat ze op de grond zitten en doet haar nieuwe schoe­nen uit. Die gaan in de tas, en haar oude schoenen doet ze aan. Mamma heeft wel gezegd dat ze ze niet meer aanmocht, maar er zit nu niets anders op. ‘Jullie zijn lief, jullie vinden het niet erg om nat te worden,’ zegt ze. Alleen de veters lukken natuurlijk niet. Die propt Afke in haar schoenen, want ze wil niet vallen. Met al dat water in de straat!

Als de boot heeft aangelegd, gaan ze niet de gewone loop­plank af, maar naar het ruim waar de auto’s staan. De vracht­auto staat al te wachten. Het is een vrachtau­to van de solda­ten met een dak erover en een zeil aan de achterkant.

‘Kinderen eerst!’ zeggen de mannen van de boot. De soldaten tillen eerst Afke de vrachtwagen in. Mamma moet even wachten tot alle kinderen in de auto zitten. Dan helpen de soldaten mamma met de boodschappen­tassen, en klimt ze zelf naar binnen.

Afke zit helemaal achterin. Wat is het donker binnen in die auto! Ze kan mamma niet eens zien! Afke begint te huilen. Heel zachtjes, want de soldaten mogen het niet horen. Ze klemt de tas met haar nieuwe schoenen tegen zich aan. Het lijkt net of ze door de soldaten gevangen zijn en in een pikdonkere auto zijn gestopt!

De auto gaat rijden. Rijden in het pikkedonker is helemaal geen fijn gevoel. Als je niets kunt zien heb je geen idee waar je heengaat.

Gelukkig, het duurt niet lang. Waar de straat weer een beetje droog is kunnen ze er uit. Maar de soldaten mogen het niet doen, Afke wil alleen maar door mamma getild worden. En het is maar goed dat ze haar oude schoenen heeft aangedaan, want er zijn een heleboel plassen. Van de zee, en van de regen. Ze hebben allebei kletsnatte voeten als ze thuiskomen.

 

De volgende dag is het water weer gezakt. Afkes oude schoenen zijn nog niet droog, maar je kunt zien tot hoe ver ze nat zijn geworden. Daar zit een wit randje van het zoute water.

Na schooltijd gaan Afke en mamma naar de sporen van de storm kijken, met hun laarzen aan. Het zeewier dat de zee heeft meegebracht ligt tot helemaal bij de fiet­senverhuur. Dat betekent dat de zee bìjna tot aan hun straat is gekomen!

Ze lopen langs de dijk. Afke heeft de plastic tas van de schoenenwinkel meegenomen. De zee heeft zulke mooie dingen aange­spoeld: wulke-eitjes die uit allemaal kleine witte blaas­jes be­staan, het schild van een inktvis, zoetwatermosselschel­pen. Afke doet alles wat ze vindt in haar tas.

‘Dit heb ik allemaal nodig, mam,’ vertelt ze. ‘We gaan een stormtentoon­stelling maken op school. En weet je wat het allermooiste wordt van de hele tentoonstelling? Mijn oude schoenen! Want vanmorgen in de kring heb ik mijn nieuwe schoe­nen laten zien. En ik heb verteld dat ik in de storm toch maar gauw mijn oude had aangedaan. En toen zei juf dat mijn oude schoenen mijn nieuwe schoenen hadden beschermd! Daarom krijgen mijn lieve oude schoenen een ereplaats op de stormtentoonstel­ling!’