Afke en haar eiland: Verdwalen met een kompas

Mamma zit op de kaart van Amsterdam te kijken. Afke snapt er niets van. Mamma legt uit dat een kaart je helpt als je de weg niet weet.

‘Kijk,’ zegt mamma. ‘De gele en witte strepen zijn straten. En het blauw geeft aan waar water is. Alle straten van Amsterdam staan op deze kaart. Dat hele grote blauwe stuk hier achter het station is het IJ, waar de havens zijn. En deze dikke blauwe streep is de rivier de Amstel. Zal ik je eens wijzen waar Simone woont? Simone woont hier, aan dit kleine grachtje. Vlakbij de dieren­tuin.’

‘Artis,’ zegt Afke. Want de dierentuin in Amsterdam heet Artis, dat weet ze. ‘Heb je ook een kaart van ons eiland?’

‘Jawel,’ zegt mamma. Ze haalt een tweede kaart tevoorschijn.

De kaart van het eiland ziet er een heel anders uit. Om het eiland is alles blauw van de zee. Het eiland zelf is groten­deels geel. Daar zijn de duinen. En hier en daar is het groen. Daar zijn de bossen. Het dorp neemt maar een klein stukje van de kaart in beslag. De schel­penpaden zijn dunne witte streep­jes.

Mamma wijst Afke waar hun huis ligt. Het is een heel klein stipje op de kaart. Vlakbij het bos aan de rand van het dorp. ‘Staan de konijnenpaadjes ook op de kaart?’ vraagt Afke.

Nee, de konijnen­paadjes staan niet op de kaart.

‘Ik ga een betere kaart maken,’ kondigt Afke aan. ‘Voor de bad­gasten, als ze de weg niet weten. Ik ga een kaart maken van waar de boot is en hoe je van de boot bij ons huis moet ko­men.’

Afke pakt een stuk papier en haar viltstiften. Eerst maakt ze het stuk waar de Waddenzee is blauw. Daar tekent ze de aanleg­steiger in, en de boot. Dan tekent ze een brede straat van de aanlegstei­ger recht naar boven. ‘Zo moet het,’ legt ze uit. ‘Als je van de boot komt moet je eerst rechtdoor.’

‘Dat klopt,’ zegt mamma.

‘En dan krijg je ons zijstraatje en daar moet je rechtsaf,’ zegt Afke. Ze tekent het straatje. En aan de twee randen van het straatje tekent ze huizen. Een heleboel huizen, met rode daken.

‘Klaar,’ zegt ze. ‘Wat heb ik een goede kaart gemaakt hè?’

‘Een beetje wel en een beetje niet,’ zegt mamma. ‘Kom maar eens mee naar de voordeur.’

Afke gaat mee. Met de tekening.

‘En kijk nu eens uit het raam,’ zegt mamma. ‘Hoeveel huizen zie je aan de overkant?’

‘Drie,’ telt Afke.

‘En hoeveel heb je er getekend?’

‘O ja,’ zegt Afke.

‘En waar is op jouw kaart het paadje achter ons huis dat naar het bos gaat?’

‘O ja,’ zegt Afke. ‘Ik weet het al: als je een kaart tekent moet je eerst kijken, hè mam?’

Afke en mamma gaan samen kijken. Ze nemen papier en een pot­lood mee. Bij de boot beginnen ze.

Nu wordt Afkes kaart precies goed. De fietsenmaker komt erop, en de Havenweg. De Dorpsstraat, en de weg achter het dorp. De telefooncellen aan het begin van Afkes straat. En het wegge­tje achter de huizen naar het bos.

Thuis maakt Afke de kaart nog mooier. Ze tekent de huizen van de buren, elk huis apart. En de drie huizen aan de over­kant van haar straat. Af en toe moet ze even naar de voor­deur om te kijken hoe het ook alweer was in het echt. Dan tekent ze hoe de straat de hoek omgaat. En de huizen die daar staan.

Tenslotte tekent ze een grote vlag op haar eigen huis. Die vlag staat er wel niet in het echt, maar dat geeft niet.

‘Nu ga ik de kaart bij de boot ophangen,’ kondigt ze aan. ‘Dan weten alle badgasten hoe ze naar ons huis moeten komen.’

‘Help,’ zegt mamma. ‘En wat moeten we dan met al die badgasten doen?’

Afke denkt na. ‘Die krijgen een beloning, omdat ze ons huis gevonden hebben.’

‘Mmm,’ zegt mamma. ‘Weet je nog hoeveel mensen er van de zomer elke dag van de boot afkwamen?’

‘Wel duizend!’ weet Afke nog.

‘Stel je voor dat die allemaal bij ons op bezoek kwamen!’ Mamma rilt bij het idee.

Maar Afke vindt het juist erg grappig. De hele straat vol men­sen, en allemaal willen ze bij hen naar binnen! Voor een beloning!

‘Ik weet het al,’ zegt ze. ‘We hangen de kaart aan de voor­deur, dan weten ze hoe ze van ons huis weer naar de boot kunnen komen.’

Nu moet mamma ook lachen.

‘En naar het dorp om boodschappen te doen,’ voegt Afke eraan toe.

Mamma hangt Afkes kaart aan de binnenkant van de voor­deur. Trots staan ze allebei te kijken. Met deze kaart is het stuk­ken makkelijker om naar de boot te gaan. Of naar de Dorps­straat.

‘Maar wat doe je nou als je midden in de duinen bent?’ vraagt Afke. ‘Want de konijnenpaadjes staan niet allemaal op de kaart.’

‘Heb jij niet van Sietse voor je verjaardag een kompas gekre­gen?’ vraagt mamma. ‘Ga het eens ha­len.’

Mamma legt het kompas naast haar kaart van het eiland.

‘Kijk,’ legt ze uit. ‘De N op het kompas wijst naar het noor­den. Op de kaart kun je zien dat in het Noorden de Noordzee is.’

‘Noorden en Noordzee,’ ontdekt Afke. ‘Dat lijkt op elkaar!’

‘De W wijst naar het westen, en de Z naar het zuiden, waar de Waddenzee ligt. De O is van Oosten; ons dorp ligt in het oosten van het eiland. Als je dus op ons eiland ver­dwaald bent moet je kijken waar het Zuiden is, dan kom je vanzelf bij het wad. Of je kijkt waar het Oosten is, dan kom je vanzelf bij het dorp.’

‘Zullen we het eens doen?’ vraagt Afke. ‘Expres verdwalen?’

‘Mij best,’ vindt mamma. ‘En wat nemen we mee om ons te troos­ten als we verdwaald zijn?’

‘Pepermuntjes,’ zegt Afke. ‘En een fles water voor als we dorst krijgen. En als we thuiskomen mogen we pretletters.’

 

Eerst oefenen ze een paar keer vlak bij huis, waar ze de weg nog weten.

‘Waar is het wad?’ vraagt mamma op het tuinpad. Afke wijst. Dan kijken ze op het kompas en ja, de Z wijst precies dezelfde kant uit als Afkes vinger daarnet. Naar het Zuiden.

Bij het bejaardenhuis doen ze het nog eens. Weer is het kompas het met Afkes vinger eens.

Dan lopen ze het bos in. Eerst de heuvel links op, waar de lage denneboompjes staan.

‘Hier wil ik beginnen met verdwalen,’ zegt Afke. ‘Daar is een paadje dat er erg geheimzinnig uitziet.’

Ze nemen het paadje, maar na een tijdje komt het bij het zwembad. Verdwalen is niet zo makkelijk als het lijkt!

‘Zie je daar dat schelpenpad?’ vraagt mamma. ‘Daarachter ligt een bos, en daar ken ik niet alle paadjes even goed. Laten we daarheen gaan.’

Afke vindt het maar ver. Na het schelpenpad komen ze bij een zandweggetje. ‘Wat mij betreft zijn we nu verdwaald,’ zegt ze.  Maar mamma kent het daar nog steeds. ‘Kijk,’ zegt ze, ‘zie je daar dat weitje? Als we daarheen gaan, bij die roze bloe­men, en je draait me daar in de rondte met mijn ogen dicht, dan weet ik echt niet meer waar we zijn.’

Bij de roze bloemen gaan ze in het hoge gras liggen. Ze eten van de rol pepermuntjes. Om de beurt een pepermuntje, tot de helft van de pepermuntjes op is. Het water is niet nodig, want het regent een piepklein beetje. Als Afke en mamma hun monden opendoen vangen hun tongen een paar regendruppeltjes.

Als ze uitgerust zijn staan ze op. Mamma doet haar ogen dicht en Afke draait haar een paar keer in de rondte.

‘Nu gaan we naar het kompas kijken,’ zegt mamma als ze haar ogen weer openheeft.

Afke legt het kompas op haar vlakke hand en zoekt de Z van zuiden. ‘Daar­heen,’ wijst ze.

‘Wat gek,’ zegt mamma. ‘Ik zou echt gedacht hebben dat we pre­cies de andere kant uitmoesten. Wat heb jij mij goed rondge­draaid zeg, ik weet het echt niet meer.’

Nu wordt Afke een beetje bezorgd. Expres verdwalen lijkt leuk als je het thuis bedenkt, maar nu ze echt verdwaald zijn is het toch anders. Stel je voor dat ze héél lang moeten lopen voor­dat ze weer thuis zijn. En ze hebben al zo’n stuk gelopen. Bah nee, daar heeft ze absoluut geen zin in!

Ze kijkt naar mamma’s gezicht. Mamma lijkt helemaal niet bezorgd. Die durft zomaar te ver­dwalen met alleen haar kompas om ze naar huis te helpen. Afke moet wel een erg goed kompas hebben!

Precies in de richting waar de Z heenwijst, is een pad.

‘Laten we dat pad maar nemen,’ zegt mamma. ‘Ik ben zo benieuwd waar we uitkomen!’

Afke en mamma lopen over het bospad. Al gauw komen ze bij een heuveltje. Als ze boven op het heuveltje staan zien ze huizen.

‘Hee, we zijn vlak achter het huis van Sietse!’ ziet Afke.

En zo is het. Nu is het nog maar een klein stukje naar huis.

Het kompas heeft ze via de allerkortste weg naar het dorp gebracht! Het lijkt wel alsof het kompas wist dat Afke geen zin meer had om ver te lopen. Ze heeft een toverkompas!

‘En nu gaan we pretletters eten,’ zegt mamma als ze thuis zijn.

Afke mag uit de zak eten. Poppelien en Nijnke, die toevallig vandaag jarig zijn, krijgen allebei ook een bakje. Maar ze eten er alleen van als Afke helpt. De Z eten ze ook.