De dinosaurus en de verbeelding

Als kind was ik gegrepen door dinosaurussen. Dat lijkt nu heel gewoon, maar in die tijd was dat anders. Het begon met een ‘junior jongensboek’je, uitgegeven door de padvinderij (waar ik verder niets mee had), geschreven door Richard Marsten,  In de greep van de dinosaurus. Het speelde in het Juratijdperk, en misschien het fascinerendste aan het verhaal was wel, dat de hoofdpersoon, die in de loop van de tijdreis zijn broer Owen verloren had, onderweg terug naar het heden die broer begon te vergeten, zodat die, eenmaal in de wereld van thuis, nooit had bestaan. Op de middelbare school las ik boeken met theoriën over ontstaan en ondergang van de dino, en verslagen van opgravingen. De fascinatie bleef ook later, maar veranderde van karkater: in 1988 schreef ik een essay over het beeld dat in onze cultuur van de dino bestaat, waarvan hier het eerste hoofdstuk.

 

 

DE DINOSAURUS EN DE VERBEELDING

 

‘Londen. Het herfsttrimester is zojuist geëindigd, en de Voorzitter van het Hogerhuis is aangezeten in de Hall van Lincoln’s Inn. Hardvochtig novemberweer. Een modder op straat alsof de wateren zich nog maar kortelings van het aardoppervlak hadden teruggetrokken en het niet verwonderlijk zou zijn een Megalosaurus tegen te komen, twaalf meter lang of daaromtrent, omhoogwaggelend langs Holborn Hill als een kolossale hagedis.’ Zo begint Dickens’ roman Bleak House.
Ik had deze passage, lang geleden gelezen, iets anders onthouden: ‘Zou het niet verwonderlijk zijn’, dacht ik dat het was; en zelfs nu hoop ik nog dat Dickens bedoeld heeft dat het onder minder sombere weersomstandigheden wel leuk geweest zou zijn. Toch weet ik dat het met deze door dr. Parkinson (ja, die van de ziekte) gedoopte vleeseter onder geen enkele omstandigheid tot een leuke ontmoeting kan komen, mede natuurlijk omdat geen mensenoog ooit een Megalosaurus of welke andere saurus heeft aanschouwd of zal aanschouwen.
De Megalosaurus is niet alleen de eerste dino die een naam kreeg, maar ook de eerste in de literatuur. Dickens gebruikt het dier hier om natte donkere weersomstandigheden te symboliseren.
Meer dan honderd jaar later schrijft Alice Thomas Ellis in haar roman The Birds of the Air: ‘Achter de heuvelrug, achter het dal, lagen de oude wolfskleurige bossen, grauw van de sneeuw: onaangetast door de mens, die er geen bestemming voor wist. Daar moesten ze al hebben gelegen toen de Grote Worm nog over de helling gekronkeld lag waar nu keurige vreedzame schoorstenen oprezen, en toen de Verschrikkelijke Hagedis langs de heuvelrug gleed, als een bewegend bouwwerk, een saurische kathedraal, de Scheppers hulde aan zichzelf toen hij nog geen mensen had geschapen om zijn grootheid te eren. Mary richtte haar ogen omhoog om haar beeld van dit reptiel te kunnen bevatten, groot en onverschillig, zelfverzekerd zonder trots te hoeven zijn, met zijn kleine ogen het woud overziend toen de wereld nog warm was — vóór Robin leefde en stierf. Het was aangenamer om te mijmeren over de onbeduidendheid van de mensloze prehistorie dan te treuren om het lieflijke platteland dat pas verdrongen was door saaie nieuwbouw. Het was pijnloos om te dromen.’
Hier is de aanblik van de dino wel welkom, want het leven voordat de mensheid bestond, komt de moeder die net haar kind verloren heeft onbeduidend voor, en dat troost haar. Maar het prehistorische element functioneert hier niet simpelweg rechtstreeks als symbool: de dinosaurus op zichzelf refereert immers door zijn uitsterven al aan de dood, en impliciet worden in deze passage dus twee soorten dood met elkaar vergeleken: de dood van de dinosaurussen die onbeduidend lijkt, en de dood van één mensenkind.
In deze twee romans verschijnen dinosaurussen even, in een enkele passage. Maar er zijn vele serieuze en minder serieuze boeken, films en beeldende kunstwerken waar ze een belangrijker rol in spelen. De dinosaurus spreekt kennelijk tot de verbeelding, ook in het echte leven.
Waarom geeft het Amerikaanse Nationale Lucht- en Ruimtevaart Museum anders 400.000 dollar uit om een Pterosaurus (spanwijdte van de vleugels twaalf meter) na te bouwen, met elektromotoren voor het vliegen en een computer voor de besturing incluis? Paleontologen zowel als aerodynamicadeskundigen denken iets van hun replica te leren, maar zouden ze de Pterosaurus alleen maar als model gekozen hebben omdat hij toevallig de grootste aller vliegers was, en gehandicapt door het feit dat hij geen staart bezat?
En waar het handicaps betreft, waarom was mijn reactie, toen ik las dat de Diplodocus die groots in de immense hal van het Londense Museum voor Natuurlijke Historie staat, artritis heeft gehad: ‘Hee, maar die diplodocus ken ik,’ heel persoonlijk, alsof ik haar bij mijn volgende bezoek moest vragen hoe het er nou mee stond? En waarom staat de brave Diplodocus op plaatjes vaak naast een huis maar de enge Tyrannosaurus Rex naast een auto? Omdat hij 55 kilometer per uur kon maken, slechts een beetje minder dan de Volkswagen waarvan de Mongoolse Volksrepubliek er enkele jaren geleden honderd wilde  hebben in ruil voor het skelet van een Tarbosaurus?

 

Waarom gaf de Engelse beeldhouwer Waterhouse Hawkins, die het eerste model van een Iguanodon maakte (die volgens de toenmalige opvatting in plaats van rechtop op vier veel te dikke poten stond en zijn ene duim per abuis als horentje op de neus had gekregen, en die nu, met een paar van zijn vriendjes, nog kan worden bewonderd in het park van het voormalige Crystal Palace), op oudejaarsavond 1851 in zijn dino een diner voor ‘s werelds meest vooraanstaande paleontologen?
Daarbij denken we toch aanJ onas of als men wil Prikkebeen in de walvis — te meer daar de grondlegger van de fossiele vertebraten, Baron Georges Léopold Chrétien Frédéric Dagobert Cuvier, die dit diner helaas niet meer mocht meemaken, bij aanschouwing van het eerste bot van een Iguanodon meende dat het aan een walvis toebehoorde. Maar in plaats van gegeten te worden eten de heren er zelf, en gaat het te ver als ik stel dat ze met deze omdraaiing van rollen symbolisch de dinosaurus zaten te eten?
Cuvier, die de fijnste studeerkamer van de wereld had waarin hij lekker niemand toeliet, met elf stahoge en twee lage werktafels, elk toegerust met pen, papier, boeken en het manuscript waaraan hij werkte; die door Jules Verne ‘l’immortel Cuvier’ wordt genoemd en er met zijn nonchalante krullen uitzag als een ontoegankelijker Byron — Cuvier viel ook de eer ten deel de schedel te mogen bekijken van de bij ons (!) in Maastricht in 1780 opgegraven Mosasaurus. De naam kreeg het dier pas in 1828 van Conybeare, om het bezit ervan is gevochten in de rechtszaal benevens met wapengeweld, want in 1795werd onze Mosasaurus door het republikeinse Franse leger veroverd op het Fort Sint-Pieter.
Excentriciteit schijnt wel een beroepsrisico — of voorwaarde? — van de paleontoloog te zijn. Neem Robert Bakker, het enfant terrible van de paleontologie, die al vanaf zijn drieëntwintigste voor acceptatie van de superioriteit van de dinosaurus ijvert: want liep de dino niet honderd miljoen jaar eerder dan het zoogdier rechtop? Bakker is het ook die, onder meer op grond van de verhouding tussen jagers en prooidieren, de structuur van botten, het hart-longstelsel en de grootte van de hersenen, betoogt dat dinosaurussen warmbloedig waren en misschien zelfs wel behaard — een kwestie die geleid heeft tot de tweede oorlog in de geschiedenis van de paleontologie. (De derde, feitelijk, als men de slag om de Mosasaurus meerekent.)
De eerste oorlog (of tweede dus) was de beroemde ‘Battle for Bones’, die zich aan het einde van de negentiende eeuw afspeelde in verscheidene staten van Amerika tussen de geleerden Marsh en Cope, en waarover nog steeds geruchten de ronde doen betreffende schandschriften en omkoperijen zo bar, dat een historeograaf als Edwin Colbert er uit kiesheid liever over zwijgt. Colberts Men and Dinosaurs staat bol van de kleurrijke figuren, maar hij noemt niet de eerste en bovendien vrouwelijke persoon die van dinosaurussen kon leven, namelijk Mary Anning, die in 1811de eerste Ichtyosaurus vond (zeven meter lang). Haar portret staat in de Engelse AA-gids, en het winkeltje waar ze fossielen verkocht is er nog steeds in Lyrne Regis, waar ze waarschijnlijk Jane Austen heeft ontmoet.

Romanschrijver John Fowles leefde en stierf er, en zijn beminnelijke tekortschieter Charles Smithson in The French Lieutenant’s Woman koopt, als darwinist, in 1867 zijn fossielen in Mary Annings vroegere winkel en acht het een schandaal dat er geen enkele dinosaurus ooit naar haar is genoemd. Darwinisme ging dieper dan een geloof in evolutie alleen, het hield een moderne kijk op mens en maatschappij in, en die visie is er de oorzaak van dat Charles zich met de verguisde Sarah Woodruff bemoeit — hetgeen uiteindelijk tot haar emancipatie leidt, en tot zijn verdriet. Zo gebruikt Fowles het fossiel, gangbaar symbool toch voor het oude, in een ironische omkering van betekenis, om ‘het nieuwe denken’ aan te duiden.

Het is duidelijk dat er met dinosaurussen meer aan de hand is dan men op het eerste (overweldigende) gezicht zou denken.

 

Waarom spreekt de dinosaurus tot de verbeelding?
Omdat geen mensenoog ze ooit heeft aanschouwd. Of anders gezegd, de wereld heeft bestaan, helemaal vol met dieren die zomaar, miljoenen jaren lang, hun lange levens leidden (sommige konden driehonderd jaar worden), en mensen kwamen daar totaal niet aan te pas. Zoiets is eigenlijk niet te bevatten, dat tast het antropocentrische wereldbeeld behoorlijk aan.
Van Plato tot ver in de negentiende eeuw zagen niet alleen filosofen en natuurkundigen, maar alle intellectuelen het levende universum als één grote keten van wezens, bestaande uit een oneindig aantal schakels in een hiërarchische volgorde van het meest nietige tot het meest verhevene, zonder leemten of sprongen, iedere schakel op een vaste plaats en verwant met de schakels erboven en eronder; en voor iedere soort wezens moet er uiteindelijk een reden zijn, omdat het Absolute Goede, of God, Die zowel de bron van al het bestaande is als Degene naar Wie alle wezens streven, niet afgunstig is. Zo stond de mens tussen worm en engel, en bezat eigenschappen van beide. Arthur O. Lovejoy traceert in zijn The Great Chain of Being  hoe dit stelsel van ideeën zich in verscheidene varianten ontwikkelt en handhaaft via onder andere Aristoteles, Thomas van Aquino, Descartes, Spinoza, Rousseau, Kant, Schiller en Schelling.
Deze zienswijze wordt door de Dinosaurus aangetast, omdat de gedachte dat de natuur in één periode meer of andere dingen heeft bevat dan in een andere periode, in strijd is met het Principe van Voldoende Redelijkheid, en daarmee met de opvattingen omtrent het Goede. Het gaat hier dus niet alleen om biologische kwesties — hoewel Linaeus’ theorie van de Scala Naturae (ladder der natuur) wier grondslag het ‘Nulla species nova’ (geen nieuwe soort kan ontstaan), een herformulering van het idee van de Grote Keten is; het gaat zelfs niet alleen om kwesties van geloof, maar om de diepgewortelde bewuste en onbewuste overtuiging van hoe de wereld in elkaar steekt, de bedoeling van het bestaan, en wat goed is en kwaad.
Geen wonder dat de hugenoot Bernard Palissy in 1589als ketter werd verbrand omdat hij beweerde dat fossielen de overblijfselen van levende wezens waren! Toch dacht Pythagoras in de zesde eeuw voor Christus al hetzelfde, terwijl Herodotus, die fossielen waarnam in de stenen van de piramiden, meende dat het resten waren van de groenten die de toenmalige bouwvakkers hadden gegeten. Tot rond de achttiende eeuw geloofden velen in de ‘Vis Plastica’-theorie van de grote Arabische filosoof en leerling van Aristoteles Avicenna (980-1037):fossielen waren ontstaan uit een vruchtbare wind die uit dode stof dingen maakte die gelijkenis vertoonden met organische dingen, als een soort halve schepping. Later nam men aan dat fossielen de overblijfselen waren van mensen en dieren die tijdens de zondvloed verdronken. En nog rond 1855 schreef Philip Gosse in Omphalos dat God, om geologen voor de gek te houden, de fossielen gecreëerd had als zodanig.
Deze gedachte werd ook van de kansel gepreekt — want hoe zou Gods goedheid toestaan dat hele soorten dieren zomaar uitstierven? Bovendien was Darwins schandelijke theorie van de evolutie in strijd met de doctrine van de eenmalige schepping, en was het een godslasterlijk idee te menen, dat het verhevenere (de mens) uit het minder verhevene zou hebben kunnen ontstaan!
Want wat is het verweer tegen onwelkome waarheden? Ontkenning. Die antropocentrische ontkenning is al te vinden in het cliché waarmee men veelal het Mesozoïcum aanduidt: ‘The Lost Age’ — een tijdperk dat we hebben verloren, alsof we het ooit hebben gehad. Die ontkenning lezen we ook in de literatuur, maar dan andersom uitgewerkt: goed, dino’s hebben geleefd, maar mensen hebben ze wel gezien. De strip van de Flintstones plaatst de dino in het stenen tijdperk, maar de vaders van de science-fiction, Jules Verne, Edgar Rice Burroughs en Sir Arthur Conan Doyle, gaan verder: dinosaurussen leven nog steeds, maar ze doen dat op plaatsen waar de moderne mens niet zo één twee drie komt: in het middelpunt der aarde, of op een plateau ergens in de oerwouden van Zuid-Amerika.
Jules Verne is waarschijnlijk degene geweest die de dinosaurus als personage in de literatuur introduceerde. Zijn Voyage au centre de la terre verscheen in 1864: meer dan tien jaar na het diner in de Iguanodon en vijf jaar na Darwins Origin of Species. Midden in de aarde, toegankelijk via vulkanen, ligt een binnenwereld die voor drie kwart uit land en één kwart uit water bestaat en waar de held, de professor en de bediende, drijvend op een vlot in een meer  tot hun ontzetting een dier zien met de snuit van een bruinvis, de kop van een hagedis, de tanden van een krokodil, en een tweede dier als een slang met het schild van een schildpad: een Ichtyosaurus en een Plesiosaurus dus, in een gevecht op leven en dood. Later vinden ze een mummie en overblijfselen van mensen uit het stenen tijdperk, en om de lezer geen enkele twijfel te laten komen ze nog een kudde mastodonten tegen met een herder, een reus van bijna vier meter lang. Het bewijs schijnt geleverd: de dinosaurus en de mens uit het stenen tijdperk zijn tijdgenoten — terwijl Verne toch zelf ook schrijft dat de dinosaurus op aarde verscheen ‘een duizendtal eeuwen voor de mens’. Hij weet het dus best, maar de wens is de moeder van het verhaal.
Edgar Rice Burroughs neemt vijftig jaar later een aantal motieven van Verne over — of zou het toeval zijn dat zijn Pellucidar, rijk binnen in de aarde, ook voor drie kwart uit land en één kwart uit water bestaat? Burroughs’ held David Innes komt aanvankelijk met een boorcabine in Pellucidar terecht, waar de zon midden bovenin hangt zonder op of onder te gaan zodat er geen tijd is en hij in alle zeven boeken over hem geen dagje ouder wordt. In latere delen seint hij zijn belevenissen met een morse-kistje door naar buiten, want anders hadden wij natuurlijk niet geweten hoe hij als keizer de zegeningen van de beschaving aan de aldaar levende mensen uit het stenen tijdperk bracht, bijgestaan door zijn uitverkorene Dian de Schone. In de vier Pellucidar-boeken die ik ken — in een ervan daalt Burroughs’ onsterfelijke held Tarzan zelve naar beneden af om David Innes te redden — kwam ik de gebruikelijke verzameling dino’s tegen: Pteranodonten, een Stegosaurus, een Triceratops, wat vechtende vleeseters van het type Tyrannosaurus Rex, en maar liefst twee verschillende beschaafde — nou ja — reptielvolkeren waarover hieronder meer. En al deze zelfde ingrediënten komen we dan nogmaals tegen in de vier boeken die veelschrijver Burroughs over het antarctische eiland Caspak schreef waar een vliegenier zijn zoekgeraakte vriend gaat zoeken te midden van dino’s (een Diplodocus die zich met kssjt verjagen laat en een Pterodactyl die zijn vliegtuig aanvalt), aap- mensen en jawel hoor, mensen in het stenen tijdperk met de voor Burroughs’ helden noodwendige bijbehorende primitieve schone. Het merkwaardige is, dat Burroughs de indruk maakt eigenlijk niet echt in sauriërs geïnteresseerd te zijn, want ze krijgen veel terloopser aandacht dan de sabeltandtijgers en hyenodons en de monsterdieren die hij zelf ‘verzint’ (reusachtige mieren en zo). Vaak doet hij maar wat: zo laat hij een Stegosaurus van twintig meter lang (het diertje was van olifantformaat, u kent het uit de tuin van Artis) met behulp van zijn rug-platen over een ravijn zeilen, maar liefst. Dat is nog zotter dan de supersnel langs de horizon rennende Brontosaurus in King Kong, of de eveneens aldaar te bewonderen tien meter hoge sprong van eën Tyrannosaurus Rex! Echt dol is Burroughs, blijkens ook de stapel Tarzanboeken, pas op mensen in een beginstadium van beschaving.

Zijn tijdgenoot Conan Doyle, de schepper van Sherlock Holmes, is van dit groepje klassiekers de leukste. Zijn The Lost World uit 1912— het boek is minstens tweemaal verfilmd — is het enige uit deze reeks waar met de dinosaurus meer wordt gedaan dan een partijtje vechten. Iguanodonten (‘monsterlijke kangoeroes met huiden als zwarte krokodillen glinsterend in de zon’) worden door de oermensen als vee gehouden vanwege de vleesvoorraad; een Pterodactyl ontrooft het gezelschap hun diner; en als de held achtervolgd wordt door een Allo- of Megalosaurus is het tijdens een nachtwandelingetje omdat hij van de opwinding niet kon slapen. Deze held is een jonge journalist die zijn beminde pas kan krijgen als hij grote daden heeft verricht. Te dien einde sluit hij zich aan bij de expeditie van de gorilla-achtige professor Challenger, de skeptisch-magere professor Summerlee, en de excentrieke Lord John Roxton. Ze beklimmen een geïsoleerd plateau ergens in Zuid-Amerika, waarvoor de berg Roraima model heeft gestaan. (Toen die eindelijk beklommen kon worden vond men er echter geen dino’s, wel een paar interessante vogels en eekhoornsoorten.) Op het plateau leven, behalve dino’s, hoe kan het anders, oermensen en aapmensen die met elkaar in oorlog zijn. Maar als ze na veel avonturen het Londens zoölogisch gezelschap van het bestaan van dinosaurussen hebben overtuigd door ze te confronteren met een heuse levende Pterodactyl (die helaas echter weer ontsnapt), blijkt de beminde inmiddels met een klerk op een advocatenkantoor genoegen te hebben genomen.
Het moet dus gewoon: via het machtig middel van de fictie wordt het onverdraaglijke historische feit, dat de mens de dinosaurus niet gekend heeft, vervalst. Al deze auteurs, die stuk voor stuk op de hoogte waren van de juiste feiten, doen dit en ze doen het bovendien dubbelop: eerstens door dino’s nog te laten leven waar ze door moderne mensen worden ontdekt, en om zich nog eens in te dekken, door ze in het gezelschap van mensen uit het stenen tijdperk te laten bestaan, als even zovele families Flintstone. De verbinding van deze twee motieven, dinosaurus en oermens, is zo hecht dat het niet verbaast ze ook in de beide filmversies van King Kong, duidelijk door Burroughs en Conan Doyle geïnspireerd, aan te treffen.

Dinosaurussen leven nog, en mensen hebben ze gezien. Het dier dat in 1808 op een van de Orkney-eilanden aanspoelde, was zonder twijfel een zeeslang. De Amerikaanse professor Silliman (nomen est omen) was er zo van overtuigd dat het overleven van de Plesiosaurus de waarnemingen van zeeslangen verklaarde, dat ‘dr’ Albert Koch in 1845 uit de fossiele botten van een uitgestorven walvissoort een vijfendertig meter lange zeeslang creëerde die hij Hydrarchos Sillimanni noemde, tentoonstelde in New York en Boston, en uiteindelijk verkocht aan een museum in Berlijn. Philip Gosse, die zich met zijn Omphalos al eerder tegen Darwin verzet had, beweerde in zijn best-seller The Romance of Natural History (1869) dat Plesiosaurussen in de vorm van zeeslangen nog leefden: alles om Darwin maar geen gelijk te hoeven geven. Tussen 1840 en 1880 was het aan al Engelands kusten dé sport om zeeslangen te ontdekken.
Ook in deze eeuw zijn er legio Plesio’s waargenomen: John Keel heeft er een lijst van verzameld in zijn Strange Creatures from Time and Space,  maar we kunnen wel vaststellen dat het aantal waarnemingen piekte na het uitkomen van de eerste Kin-Kong-film in 1933. En de discussie omtrent het monster van Loch Ness (bij het meer op verkeersborden als overstekende dino afgebeeld) was tot voor kort nog vurig gaande: in 1983 berichtte ITV-nieuws dat de geleerden met hun sonars twee zeer grote dieren hadden waargenomen. Maar de kroon spant Bernard Heuvelmans, ‘docteur ès zoölogique’, enig lid van het Centre de Cryptozoölogie de Verlhiac in Frankrijk, die in z’n pure eentje bij uitgeverij Plon in Parijs de reeks Histoire des Bétes Ignorées du Monde verzorgde, waarin hij zijn door Burroughs geïnspireerde merkwaardige voorkeur voor levende Neanderthalers, inheemse albino’s en mensen met staarten uit- leeft in zeshonderd pagina’s dikke delen vol historische en hedendaagse info. Behalve delen gewijd aan de zeeslang en de Kraken (bij literatuurliefhebbers bekend van Tennyson) is er ook Les Derniers Dragons d’Afrique (1978), een lijvig boekwerk vol reuzenslangen, berichten omtrent een Triceratops en een expeditie door Carl Hageman (van het circus) georganiseerd om een Brontosaurus te vangen, en waarin Heuvelmans betoogt dat het misplaatste eurocentrische superioriteit is niet te geloven wat de inwoners van Centraal-Afrika ons te melden hebben over draken en dinosaurussen: tenslotte heeft ook de jonge Noatzin-vogel in het Amazone-gebied die kwaakt als een kikker en ruikt als een krokodil nog kleine klauwijes op zijn vleugels, nou dan.

 

Het is zo’n beetje de eerste vraag die in elk dino-gesprek wordt gesteld: waarom zijn de sauriërs uitgestorven?
Hun onbereikbaarheid raakt ons besef van de onherroepelijkheid van de dood.
Fredric Browns verhaal ‘Hunger’ gaat over de laatste uren van een Tyrannosaurus Rex in wie al honderd jaar lang honger brandt. Het dier herinnert zich hoe het vroeger was, welke dieren het toen tegen hem opnamen — nu zijn de dieren te klein en te vlug geworden, onbegrijpelijk voedsel dat niet wil vechten en niet opgegeten wil worden.
Het bijzondere van dit verhaal is dat het vanuit de Tyrannosaurus zelf wordt gepresenteerd, zodat de lezer zich met de gevoelens van deze ‘machtigste en felste vechtjas die de wereld ooit heeft voortgebracht’, vereenzelvigt. Zo maakt ook Brown, niet alleen door het verhaal zelf waarin het dier weer levend wordt, maar ook door de verteltechniek die de lezer als het ware in de dino plaatst, het uitsterven ongedaan. In paleontologische vakliteratuur wordt bijna zoveel aandacht aan de dood als aan het leven van de sauriërs geschonken: hun leven is het wonder, hun dood het raadsel.
Maar is er wel een raadsel?
Er bestaan natuurlijk bizarre maar serieus bedoelde speculaties — zoals gebrek aan ruimte in de ark van Noach; of de hypothese van de man die zich afvroeg waar de Sauropoden (de Brontosaurus-familie) met hun kleine koppen en reusachtige lijven van leefden: het moest iets zachts en voedzaams zijn geweest, als pap, dus waarom geen verrotte kadavers, en dan noodzakelijkerwijs de grootste kadavers die hun tijdperk voortbracht, dus van hun eigen soort? De sauropoden hebben er dus honderdtwintig miljoen jaar over gedaan om elkaar op te eten! De laatste theorie in deze reeks veronderstelt dat alle dino’s vanwege de koude vrouwelijk worden: ook nu produceren de eieren van sommige reptielen mannetjes in warme omstandigheden en vrouwtjes als het koud is.
Maar het is hier niet de plaats om op de vele uitsterftheorieën in te gaan, en het is natuurlijk sterk de vraag of dinosaurussen wel plotseling zijn uitgestorven en niet eerder gradueel, door een aantal in elkaar grijpende oorzaken van klimatologische en ecologische aard. Maar een plotselinge dood maakt het raadsel interessanter, en theorieën die één enkele oorzaak poneren spreken, getuige hun populariteit, ook bij paleontologen het meest tot de verbeelding.
Tegenwoordig heeft men min of meer een consensus bereikt omtrent de theorie van vader en zoon Alvarez (1979), die in een laagje klei te Gubbio (Italië) een concentratie van irridium aantroffen dertig maal hoger dan in de sedimenten erboven en eronder, hetgeen verklaard wordt door het neerstorten van een asteroïde van minstens tien kilometer doorsnee. De gevolgen hiervan waren dan niet alleen aardbevingen en overstromingen, maar ook werd een hoeveelheid stof in de stratosfeer geslingerd die het zonlicht verscheidene jaren moet hebben verduisterd en daardoor had dan, ondermeer, geen fotosynthese in planten meer plaats. Zoiets kwam vaker voor: na de uitbarsting van de Krakatau in 1883 hing er twee jaar stof in de lucht, en na die van de berg Tambora in 1815 sneeuwde het tijdens de maand juni in New York. Natuurlijk riep en roept ook deze theorie weer hevige controverses op, maar zulke opwinding in paleontologenland is op zichzelf al een bewijs hoezeer de dinosaurus de gevoelens raakt.
Het was ook een geleerde, Dale Russell, die toegaf aan de verleiding van het fantaseren wat er met de dinosaurussen zou zijn gebeurd als zij niet waren uitgestorven. Aan het einde van het Krijt bezaten sommige soorten een encefalizatiequotiënt (de verhouding tussen het gewicht van de hersenen en dat van het lichaam) dat met een getal van 0.3niet gek afstak bij dat van de toenmalige zoogdieren. Russells favoriet onder deze slimme dino’s was zijn Stenonychosaurus Inequalus, een tweebener van een kilo of veertig, staart incluis twee meter lang, die bovendien zijn duim tegenover zijn twee andere klauwtjes kon brengen en waarschijnlijk stereoscopisch kon kijken. Op basis van deze ongeëvenaarde Stenonychosaurus creëerde Russell een dinosauroïde door bepaalde evolutionaire trends te extrapoleren. Zijn berekeningen zijn aan de behoudende kant, zijn resultaten verbluffend. Het encefalizatiequotiënt zou toenemen tot minstens  7.1(wij hebben 7.), waardoor de schedel groter werd, en het gezicht kleiner, parallel aan de evolutie van mensapen. De nek wordt korter om het gewicht van de schedel te kunnen dragen, en de staart — die aan de langere nek tegenwicht moest geven — verdwijnt. De huid is bedekt met schubben, hij/zij heeft drie vingers en grote ovale dinosaurusogen. Eieren leggen is er niet meer bij, dus is er een navel — maar tepels hebben ze niet, want de kinderen zouden net als vogeltjes voorgekauwd voedsel eten. Evenals bij andere reptielen zijn er geen uitwendige seksuele organen. (Dat dino’s op plaatjes die niet hebben, geschiedt dus niet uit kuisheidsoverwegingen.) Deze dinosauroïde, helaas slechts van fiberglas, staat in het National Museum of Natural Sciences in Ottawa.
Dezelfde fantasie is de basis geweest van Harry Harrisons West of Eden: de meteoor is niet gevallen, dinosaurussen zijn intelligent geworden en binden, op de vlucht voor de koude, de strijd aan met de primitieve mens. Harrisons Yilanè zien er ongeveer zo uit als Russells dinosauroïde, met toevoeging van een klein stevig staartje, al stammen zij af van de Tylosaurus, een zeereptiel.
Hanison heeft voor de biologie en de taal van zijn reptielen de hulp ingeroepen van gespecialiseerde geleerden, en zijn groots opgezette sage is dan ook voorzien van een aantal bijlagen betreffende geschiedenis, geloof, wetenschap en taal van de Yilanè, als het Elfs bij Tolkien. Hoofdpersonen zijn de eerzuchtige Vainté, die als wegbereidster voor de komende volksverhuizing is uitgezonden om in zuidelijker streken een nieuwe stad te bouwen, en een in de jeugd geroofd en bij de Yilanè opgegroeid mensenjongetje dat later, eenmaal ontsnapt, zijn tijdens de ‘opvoeding’ verkregen kennis kan benutten om de Yilanè uitte roeien, Dat gebeurt dan in de eerste plaats met constante menselijke energie, want omwille van de plot zijn de Yilanè koudbloedig (hoewel de roman van 1984 is en de theorie van warmbloedige dino’s al was geopperd), en kunnen dus ‘s nachts niet veel uitrichten; en ten tweede met vuur, want dat kennen de dino’s niet. Hun techniek is voornamelijk biologisch van aard, zij veranderen vormen en functies van planten en dieren in ingewikkelde en gedetailleerd beschreven procédés tot ze de equivalenten hebben van boten, wapens, foto’s en microscopen. Mogelijk omdat ze hun omgeving eerder aanpassen aan hun behoeften in plaats van rechtstreeks in te grijpen, heeft Harrison de Yilanè matriarchaal gemaakt. Toch berust hun maatschappij op een op intelligentie en sekse gebaseerd klassensysteem, met een rigoureuze hiërarchie en strenge formele regels. Bovendien dragen de mannetjes de bevruchte eieren, zodat er van wat onze cultuur gemeenlijk onder ‘vrouwelijk’ verstaat weinig bij de Yilanè te noteren valt. Daar komt bij dat alle Yilanè die wij leren kennen, ondanks hun werkelijk hoge beschaving, zwaarsimpele karakterstructuren hebben en op één uitzondering na — de leidster van de gevaarlijke sekte die tegen nodeloos doden is — buitengemeen dierlijk-primitief en wreed zijn. In hun snel opgewekte woede gebruiken ze hun grote bek met tanden om ledematen af te bijten. Hier klopt iets niet, hiermee ontkracht Harrison de acceptabiliteit van zijn reptielen die heus op andere terreinen al wreed genoeg zijn om te verhinderen dat lezers ze al te aardig zouden vinden. Heel jammer: Harrisons boek voldoet aan alle criteria van het epos, want het creëert een complete wereld, en het had, gezien het thema, de mogelijkheden en de gespendeerde energie, het allerallermooiste boek over dino’s kunnen zijn.

Ook Burroughs’ zeventig jaar eerder bedachte Horib aten gedode mensen meteen op. Ze hebben het hoofd en gezicht van een slang, maar met horentjes bovenop; ze dragen leren schortjes om hun gelig witte reptielenbuikjes te beschermen, en vechten met benen messen en lansen. Of de Horib matriarchaal zijn vermeldt Tarzan at the Earth’s Core niet, maar een ander dominant reptielenras in Pellucidar, de Mahar die meer op draken lijken, het schrift kennen en met name ook weer ontwikkeld zijn in de genetica, zijn wel matriarchaal. Hun wreedheid is echter spreekwoordelijk.
De moraal is duidelijk: cultuur is aan dinosaurussen verspild.