11. pijnvertrouwen

11. pijnvertrouwen

In de vijf vorige stukken heb ik een aantal vragen gesteld die van invloed zouden moeten zijn op hoe we een pijnleven kunnen leven zonder slachtoffer te zijn: hebben we een geest ofwel een eenheid van voelen en denken; hebben we een bewustzijn; zijn we vrij en autonoom, wat is willen, is genezing een illusie. Het bleken de verkeerde vragen te zijn, en wel vanwege veel begripsverwarring – bij voorbeeld over wat vrijheid is – maar vooral ook omdat de wetenschap – waaronder we hier die disciplines verstaan die zich beroepen op de bewijsbaarheid van hun stellingen – niet in staat is die vragen te beantwoorden. Nagel formuleert dat het best: de dingen die per gezichtspunt verschillen, zijn niet objectief meetbaar, en dus zijn ze niet fysiek, want al het fysieke is (uiteindelijk) meetbaar. Complexe verschijnselen, zoals de geest, het bewustzijn en de wil, kunnen niet met eenvoudige (materialistische) modellen worden verklaard. En dus ook niet een complexe ervaring als pijn.

Is dat erg? Alleen als we uitsluitend het meetbare belangrijk vinden. Veel begrippen die we broodnodig hebben in het leven, als vergiffenis, liefde, geweten, poëzie en kunst, zijn immers ook niet meetbaar.

De goede vragen zouden dus moeten luiden: àls ik een geest, bewustzijn, vrije wil heb, zoals mijn ervaring me leert, wat kan ik er dan mee in een leven met pijn? Hier sluit ik me aan bij William James, wiens pragmatisch uitgangspunt stelt dat geen enkele wetenschappelijke theorie die de menselijke ervaring buiten spel laat, zinvol mag heten, en omgekeerd: ervaringskennis is geldige kennis. Als ik vanuit dit perspectief opnieuw naar onderzochte begrippen kijk, blijkt onder meer, dat ik niet echt minder vrij ben dan een ander, zij het op een andere manier.

de volgende stap

Nu is het tijd om de volgende stap te zetten: hoe leef ik, als zelfstandig autonoom moreel verantwoordelijk persoon mijn pijnleven, met als uitgangspunt dat ik pijn niet (ver)oordeel maar als iets onvermijdelijks, noch goed noch kwaad, accepteer. Hoe werk ik mijn stoïcijnse ideeën uit in de praktijk?

Er is hulp vanuit de hoek van het Zen-Boeddhisme, dat niet zo heel anders staat tegenover pijn. Stoa en Zen vullen elkaar aan. Voor de praktische omgang met pijn gebruik ik dan de boeken van boeddhist Stephen Levine (zie bibliografie), die steeds een diepgaande theoretische tekst laten volgen door een meditatie op grond van die tekst. Veel van wat hier volgt heb ik van hem geleerd, zonder daarmee het Zen-boeddhisme in z’n geheel te hoeven (of willen) omhelzen. Hier en daar, als hij naar mijn smaak te zweverig wordt, moet ik Levine dan ook zeer eclectisch benaderen. Maar zijn teksten over pijn beginnen waar de gemiddelde mindfullness ophoudt! Kübler Ross beschrijft zijn werk als ‘magisch’.

Als ik pijnmensen één van zijn boeken moest aanbevelen, werd dat Guided meditations, explorations and healings’. (Een aantal hoofdstukken uit dit boek staan ook in Healing into life and death.) Naast de twee hoofdstukken en vier meditaties over pijn, heb ik het meest geleerd van ‘exploring grief’, ‘an exploration of heavy emotional states’, ‘an exploration of resistance’, en de hoofdstukken en meditaties over ‘healing’ en vergiffenis. Ik lees deze boeken al jaren, en elke keer kom ik een beetje dieper.

Zonder Levine zou de kwaliteit van mijn leven zonder twijfel veel minder zijn geweest.

Het is pas mogelijk met pijn te werken, als we de fysieke kant ervan scheiden van de psychologische kant. Aan de fysieke kant kan een mens zelf niets veranderen (afgezien van medicijnen, maar daar gaat het hier niet om), aan de psychische of psychologische veel.

Eerder stelde ik al, dat drie kwart van de pijnervaring bestaat uit het verzet tegen de pijn. Daaruit volgt, dat het zich bewust worden van dat verzet, en het losmaken daarvan van de fysieke ervaring zelf, dus een gigantisch verschil zou moeten maken. Wat zit er allemaal in die 75 %? Een pijnverhaal!

het pijnverhaal

Elke plotselinge pijn wekt een instinctief verzet: ga weg. Daar valt niets tegen te doen.

Als pijn blijft, kan het anders worden, maar dat hoeft natuurlijk niet. Iedereen die met pijn leeft moet eerst het eigen pijnverhaal leren kennen, voordat er iets kan veranderen aan de pijnervaring. 

Het pijnverhaal bestaat uit de gedachten en gevoelens die een leven met pijn vergezellen: angst, hulpeloosheid, hopeloosheid, twijfel. Ik ben te moe, ik kan dit niet aan, dit moet ophouden, moet je kijken op hoeveel plaatsen het pijn doet (lijstjes maken, met de illusie dat je daarmee iets doet), hoe moet ik mijn werk doen, mijn sociale leven, hoe lang duurt het nog, waarom ik, mijn leven is zo niets waard, alles loopt af: een verhaal met als vast thema dat ik zou willen dat het anders was dan het is, dat de pijn wegmoet.

Het zou onzin zijn zijn, van jezelf te verlangen dat je voor eens en voor al afrekent met dit soort verhalen. Net als dat eerste, instinctieve verzet, kunnen we dit soort emoties niet ontlopen, en het heeft dan ook geen zin om onszelf op dat punt bestraffend toe te spreken. Maar wel kunnen we proberen die emoties te relativeren: gevoelens en gedachten en interpretaties zijn immers niet noodzakelijkerwijze de waarheid (ook al hebben sombere gevoelens en gedachten vaker die smaak van ultieme waarheid dan optimistische). We kennen allemaal de ervaring, dat emoties en gevoelens beweeglijk zijn, en dat het mogelijk is het ene ‘verhaal’ te vervangen door het andere. Dezelfde situatie in ons leven kan ons de ene dag hopeloos maken, terwijl er de andere dag, zonder dat er iets aan de situatie zelf is veranderd, ineens weer vechtlust in ons opwelt. Dezelfde persoon in ons leven vervult ons het ene moment met vreugde, terwijl we hem of haar een andere keer naar het einde van de wereld kunnen wensen.

De vraag die je je dus bij dit soort emoties en gedachten moet stellen is: is dit verhaal, is het geloof in deze emotie, is de identificatie met dit gevoel, in mijn voordeel of in mijn nadeel? Is de zeurende stem in mijn hoofd me goed gezind? Is mijn vriend, mijn vriendin, mijn echtgenoot of kind dat zo graag wil dat mijn pijn weggaat, misschien een factor die de pijn versterkt?

vluchten

Dit wil niet zeggen dat vlucht-technieken geen functie hebben. Ikzelf transcendeer bij voorbeeld wanneer ik in het gezelschap van anderen ben. Strikt gezien is transcenderen een vlucht, en eenmaal weer alleen betaal ik er achteraf dan ook de prijs voor die bestaat uit inhaalpijn, maar het is gewoon handiger om bij anderen het lichaam even opzij te zetten.

Ook wanneer ik werk, verlies ik me. Door me te concentreren en te engageren is er even noch pijn, noch weerstand. Kant gebruikte deze techniek: om de pijn van zijn jicht opzij te zetten dacht hij aan iets of iemand waar hij op gesteld was, in zijn geval Cicero, en haalde zich dan alles te binnen wat hij over Cicero wist en dacht en ooit gedacht had en wat anderen over hem dachten. Een soort intellectuele meditatie; concentratie en engagement als pijnbestrijding. Het werkt, als je je er maar van bewust blijft dat het een vlucht is. Veel pijnoefeningen gebruiken een variant hiervan: ga naar je favoriete landschap, loop met je voeten in de kabbelende zee of ruik de geur van pas gemaaid gras.

Medicijnen kunnen gevaarlijk zijn. Wanneer ik van medicijnen verwacht dat ze de pijn helemaal wegnemen, voed ik de weerstand tegen de pijn. Een moeilijke paradox.

het wonder

Stel, dat het wonder mogelijk was, iets te slikken dat alle pijn zou wegnemen: zou ik het dan doen?

Ik weet het niet. Hoe zou het voelen als ik dat medicijn dan altijd zou moeten blijven slikken, en op tijd en niet overslaan – zou ik dan niet bang worden voor de pijn, die ik bezwoor? Want dankzij dat medicijn had ik dan niet geleerd de pijn recht aan te kijken, dus zou ik eerder bang zijn dan nu. Ik zou de ruimte van 75 % die ik nu heb niet gebruiken, maar haar ontkennen. Mijn leven zou meer op dat van vroeger lijken, maar tegelijk zat ik meer in de slachtofferhoek dan nu. Waarmee niet gezegd is dat ik dat wondermedicijn niet zou nemen – het bestat niet, en ik weet het niet.

Wellicht is het mogeliijk, door acupunctuur, de pijn tijdelijk helemaal weg te krijgen. Ik heb het noooit geprobeerd. Want hoe zou ik me dan voelen als de punctuur was uitgewerkt? Dan moest ik dus weer helemaal opnieuw beginnen met accepteren. Ik zou dan even in een illusie van pijnloosheid hebben geleefd, en de werkelijkheid daarrna zou des te harder en onverteerbaarder zijn, en de pijn, die terugkeert tot de volle honderd procent, daardoor erger! Ik zou van de pijn mijn vijand maken, de draak die niet tegen spelden kan, en van mezelf een slachtoffer. En hoe meer ik mezelf als slachtoffer zie, weet ik inmiddels, hoe meer pijn ik heb.

Tijdelijke totale verlichting lijkt mij geen optie.

Maar wanneer ik medicijnen als hulpmiddel zie die mijn pijn reduceren tot een niveau waarin ik ermee kan werken, helpen ze me echt. En wanneer ik werk of ‘Cicero’ gebruik om me te verliezen in iets waarvan ik houd, krijgt mijn leven kwaliteit, en dat is de napijn waard.

pijnstudie

Pijn leren beleven als een fysieke ervaring zonder die te ontvluchten, vereist discipline en moed. Je moet immers dwars tegen de vluchtneiging in. Je moet als het ware binnentreden in de pijn, in het huis van pijn, en zonder angst.

Dus eerst maak ik me bewust van eventuele negatieve gevoelens ten aanzien van pijn, en zet die opzij. Vervolgens neem ik mentaal afstand van de pijn. Afstand nemen is iets anders dan transcenderen: ik neem mentaal afstand terwijl ik de pijn tegelijk met aandacht beschouw. Bestudeer. Dat moet je elke keer opnieuw weer even durven. Instinctief schamp je ervoor weg, je denkt dat het alleen maar meer pijn gaat doen als je je pijn met aandacht bekijkt, en haar dan ten volle beleeft: maar als ik het doe, als ik mijn aandacht bewust op de pijn richt, transformeert zij inderdaad tot een puur fysieke ervaring. Ik voel de pijn, uiteraard, en tegelijk verdwijnt het sterkste pijnkarakter ervan, omdat ik haar niet meer beleef als iets ergs. Elke pijn wordt een aparte ervaring die ik kan leren kennen. Bij meerdere pijnen kan ik hun onderlinge verschillen leren kennen; bij een enkele pijn kan ik er de smaak van leren proeven.

Nu merk ik waarom ik wilde weten wat het bewustzijn was: ik richt steeds opnieuw mijn aandacht, mijn bewustzijn, als een zaklantaarn die elke afzonderlijke pijn verlicht.

Eerst zie ik de diversiteit van de bloemen in het veld, dan schenk ik aandacht aan de soorten.

Eerst voel ik dat ik ‘in’ pijn ben, pijn overal, omgeven door mijn huid als een jas, en dan richt ik mijn aandacht op een specifieke pijn. Eerst gaat de deur van de ijskast open en daarna pas het lampje aan – zo snel dat we het niet zien, bij het eerste kiertje.

Zo is bewustzijn een functie van de geest. De geest in actie.

Maar wat ik ervaar kan alleen worden uitgedrukt in metaforen. Want ik ‘zie’ mijn pijnen natuurlijk niet, of niet alleen. Ik voel ze, tast ze af met een innerlijke hand, ik herken ze en begroet ze. Tegen alle instinct in, heet ik ze welkom – ‘daar ben je’. Ik kan ze ook proeven: bitter, scherp. En horen: een hamerende, een kloppende pijn. Als je een hamer hoort is er geen agressie in de metafoor, als je hem voelt wel. Ik kan me ook voorstellen dat ik door pijn word betast, aangeraakt: pijn knijpt en schuurt.

Alleen ruiken kan ik mijn pijn niet. Verder zijn alle zintuiglijke metaforen bij deze pijnstudie van toepassing. Ik kan mijn verschillende pijnen een kleur geven, ik kan er een vleugje wind overheen blazen, of er een koele plens fris water over uitstorten. Ik kan de pijn inademen en dan weer uit, en in.

o, de herhaling

Er is geen overwinning, geen einde: er is alleen het proces. Het moet elke keer opnieuw. Steeds weer beginnen bij de instinctieve weerstand. Vaak merk ik die weerstand eerst fysiek, voor ik haar nog besef. Een gevoel van urgentie, rusteloosheid, maagpijn. Wegwillen. En de straf is onmiddellijk. Pijn snijdt dan als een mes, brandt als een vuur, boort als een boor. De metaforen worden steeds echter. Het woedt pijn in mij, ik ben oorlog.

Maar: hoe meer oorlog, hoe meer lijden. ‘Perhaps our greatest pain is our lack of acceptance of pain,’ schrijft Stephen Levine (Who dies; Healing into life and death). Waarom denken we toch, volgelingen van Epicurus, dat we het recht hebben de pijn van ons leven niet te hoeven voelen? Wat schieten we daarmee op? Het wordt er alleen maar erger van.

Gaandeweg komt het besef steeds sneller binnen: er is maar één manier om vrede te sluiten met iets waar we zo duidelijk niet om hebben gevraagd, en dat is niet door het te negeren of ervoor weg te vluchten, maar door de pijn te leren kennen. Door haar te bestuderen. Door de pijn in te gaan, met een open houding van nieuwsgierigheid. En dan merk je al snel, dat wat een vuur leek, veranderlijk is. Geen brandende zon of laser, maar een wolk die steeds van vorm verandert. Gaandeweg in dat proces, wordt het mogelijk de pijn ruimte te geven. De harde klont wordt dunner, minder massief, doorzichtiger. Zachter aan de randen, alsof je je hand er strelend tegenaan legt. Hoe meer ruimte de pijn krijgt, hoe hanteerbaarder ze wordt. Laat haar zijn wat ze is. Geen klont, maar een amoebe die zacht wuift in het water, van vorm en structuur verandert tijdens het proces van ons onderzoek, onze onderzoekingstocht.

Babies, die zich nog niet zo met hun lichaam identificeren als wij, kunnen beter tegen pijn juist omdat ze pijn de ruimte geven. Wij vernauwen onszelf door onze angst voor de pijn.

De paradox is dus, dat pijn hanteerbaar wordt wanneer we haar binnengaan, in plaats van haar te ontvluchten. Dat we vriendelijke gevoelens sturen naar de plek die pijn doet, in plaats van die plek te negeren of er boos op te zijn. Dat we met liefdevolle aandacht luisteren naar onze innerlijke stem, naar onze interpretatie van de pijn, en vaststellen of zij ons goed of kwaad gezind is. Vrede zoeken waar het instinct schreeuwt om oorlog.

Pijn is een helder object van onderzoek. We weten precies waar ze zit, we kunnen haar aftasten en met onze geest van binnenuit aanraken. Bewust vrede stichten.

De boeken van Levine staan vol oefeningen om die vrede aan te leren, en het is geen wonder dat we daarbij ook werkmateriaal aantreffen tegen weerstand, vergiffenis, hevige gevoelens: alle hindernissen die we tegenkomen op de weg van Epicurus naar de Stoa.

Na jarenlang oefenen weet ik inmiddels, dat pijn geen gehaat deel van mijzelf meer is, maar een bezoeker die ik minimaal met beleefdheid moet behandelen. En vooral de gevoelens rond pijn zijn bezoekers, met wie ik het niet eens hoef te zijn ook al neem ik ze wel degelijk serieus, als vrienden en kennissen met wie je het niet eens hoeft te zijn zonder ze te bestrijden of af te keuren.

verdriet

Pijn is ook, stelt Levine, verwant met verdriet en rouw, en haalt die gevoelens naar boven. Pijn confronteert ons met wat onaf is in ons leven, met wat we wantrouwen, met waar we bang voor zijn, met ons verlangen naar heelheid, met onze verloren hoop en onvervulde dromen, met onze angst om te voelen wat we moeten voelen, met onze eenzaamheid en de genadeloosheid waarmee we ons lichaam in pijn behandelen. Daarom is die zachtheid nodig: daarom ook zijn pijnmeditaties vaak meditaties waarin zelfvergiffenis een rol speelt. Op die manier kan de oefening, de omgang met pijn therapeutisch werken voorbij het gebied van de fysieke pijn zelf. Pijn kàn zuiveren. Maar niet vanzelf.

Hoewel ze uit zeer verschillende levensfilosofieën voortkomen, zijn er, als gezegd, veel paralellen tussen deze (Zen-boeddhistisch geïnspireerde) meditatie-discipline en de leer van de Stoa, met name op het gebied van de harmonie: de harmonie van mijn leven die de harmonie voedt van het leven om mij heen, zoals zelfvergiffenis en vergiffenis van anderen nauw met elkaar verbonden zijn. De filosofische benadering past bij en klopt met de psychologische, die haar praktisch aanvult.

de echtste discipline

De pijn binnengaan is de techniek die mij sterker maakt dan welke andere ook. Ik denk oprecht, dat iedereen die in pijn leeft dit zou moeten leren.

Maar ik weet ook dat wat voor mij geldt, niet voor een ander hoeft te werken. De één heeft meer aan yoga, een ander aan Zen of mindfullness, een derde aan filosofie. Een ieder in pijn moet de weg vinden die bij haar past.

Aan het slot van de paragraaf over discipline en vrijheid, gaf ik aan dat een leven met pijn morele implicaties heeft. In wezen verschillen die niet van de morele aspecten van een ‘gewoon’ leven, maar in een leven met pijn dat naar vrede streeft, worden ze zozeer zichtbaar dat we ze niet kunnen ontlopen of ontkennen. Bovendien, als je in pijn leeft is er weinig energie en in verband daarmee weinig tijd: dat maakt het makkelijker vrijblijvend van belangrijk te onderscheiden en uitsluitend voor belangrijk te gaan.

Zen-boeddhiste Yoko Beck schrijft 1: ‘Tot we… het lijden van ons leven dragen, het in ons opnemen en het zijn, kunnen we niet zien wat ons leven is. Volledig open, volledig kwetsbaar voor het leven zijn is de enige manier om ons leven te leven.’ Dit zijn geen waardevrije uitspraken, maar standpunten die morele consequenties hebben. Alleen als ik de pijn accepteer, ben ik vrij.

Wie met pijn leeft wil zien wat haar leven is. De behoefte aan zingeving dient zich immers dagelijks aan. Waarvoor leef ik, wat kan ik met een leven binnen deze grenzen?

Natuurlijk is pijn zinloos en nooit begerenswaardig. Maar als ze er eenmaal is, kun je er wel wat mee. Leren omgaan met waar je voor terugschrikt, verandert je. De moed om kwetsbaar te zijn, om de pijn in te gaan, verandert je. De compassie die je naar je eigen pijn stuurt, breidt zich uit naar jezelf, en naar de wereld om je heen. Zelfzorg leidt tot zorg voor de ander. Bestudering van de eigen pijn maakt de pijn van anderen sneller zichtbaar. Goed omgaan met pijn maakt sterk. Als genezen niet kan, is evenwicht nog altijd haalbaar.

Maar het is een evenwicht dat steeds opnieuw bereikt moet worden. Acceptatie is geen haalbare staat, geen eindpunt, maar het proces zelf. De moed om de pijn in te gaan moet steeds weer opnieuw worden aangemaakt, als zweet in hitte. Dat is uiteindelijk de echtste discipline.

1Beck, Yoko: Alle dagen Zen; Amsterdam (Karnak) 1989.