5. morele pijn

Eerder zagen we al dat het epicurisme pijn als het totale kwaad beschouwt, dat derhalve met alle macht bestreden moet worden. Voor het stoïcisme daarentegen is pijn waardeneutraal – maar de omgang ermee juist allerminst.

Laten we de morele consequenties van de twee opvattingen eens vergelijken.

 

Als je pijn bestrijdt, ben je er in oorlog mee. Dat is de houding die we het vaakst in de praktijk tegenkomen. Alle woorden die gebruikt worden om pijn te beschrijven zijn agressieve woorden. Pijn voelt als een aanval van buiten of van binnen, pijn snijdt en boort en brandt, hamert en priemt. We spreken in de grammatica van de ‘lijdende of passieve vorm’ voor wanneer iets wordt gedaan; lijden en passief horen dus gevoelsmatig bij elkaar. Pijn wordt ons aangedaan. Wie pijn niet wil vernietigen, wordt verdacht van masochisme.

Voor de Stoa ligt dat totaal anders. Pijn is deel van het lot, en als zodanig goed noch kwaad, maar we zijn vrij in onze keuze, hoe ermee om te gaan. Wie inziet, dat het niet goed is je te verzetten tegen wat nu eenmaal zo is, wie zich niet laat kapot maken door het onvermijdelijke, is vrij. Natuurlijk – en dit vinden we vooral bij de jongere stoïcijnen als Marcus Aurelius en Seneca – is pijnloos te verkiezen boven pijn en gezondheid boven ziekte, en het is dan ook volkomen gewettigd zo te leven dat je de kans op ziekte zo klein mogelijk houdt. 

Een stoïcijn voert dus geen oorlog met pijn, maar zoekt naar manieren om het lichaam met pijn in een nieuw evenwicht te integreren. Want het feit dat wij ons rationele denken, onze ‘logos’, kunnen en moeten gebruiken om het leven van onszelf en anderen in een natuurlijk evenwicht te brengen, is wat ons van de dieren onderscheidt. Wie vlucht voor de pijn van het leven denkt alleen aan zichzelf, wie pijn integreert in een goed evenwicht, denkt ook aan anderen. Dat betekent dus dat goed met pijn omgaan altruïsme is.

Interessant is hier ook de verbinding van lijden en vrijheid. Voor de epicurist maakt pijn onvrij, voor een stoïcijn begint bij pijn juist de vrijheid. En die vrijheid wordt dan in de eerste plaats gebruikt, om een specifieke gedisciplineerde levenshouding te kiezen, met het gedrag dat daaruit voortkomt.

 

Sartre

Vetlesen, voor wie pijn duidelijk het kwaad is, verwijt Sartre dan ook zijn (stoa-verwante) existentiële opvatting. Voor Sartre ben ik verantwoordelijk voor alles wat ik doe en voel, en kan ik mijn vrijheid om te kiezen niet afwijzen. Als ik dat wel doe, ontloop ik mijn verantwoordelijkheid, en leef in kwade trouw. Een uitspraak als ‘ik ben bang’ is niet alleen feitelijk onjuist voor Sartre, maar ook moreel kwestionabel. Dat gaat ver.

Voor de fysieke realiteit geldt dit uiteraard pas in tweede instantie: wat het lichaam overkomt kiezen we niet, maar de gevoelens die we daarover hebben kiezen we wel.

Vetlesen stelt dat Sartre, in zijn afstandelijkheid, over het hoofd ziet dat er aan de interpretatie van een gevoel ook het één en ander voorafgaat: in eerste instantie treft een gevoel ons met affect, we worden erdoor ‘aangedaan’, en pas daarna kan een cognitieve handeling plaats vinden. We kiezen onze pijn niet, stelt Vetlesen, en kunnen dus ook niet kiezen haar niet te kiezen (p.68). Vetlesen spreekt hier over psychische pijn – maar juist daar is het de vraag of hij gelijk heeft. Voor fysieke pijn gaat het zeker op dat de pijn voorafgaat aan de interpretatie – maar het is ook zo dat de interpretatie op haar beurt de kwaliteit van de fysieke pijn bepaalt. Wie, op z’n stoïcijns, pijn als een puur lichamelijke ervaring kan beleven, zonder er een ‘oorlogsgevoel’ over te hebben, reduceert de pijn als gezegd met 40 tot 75 %.

 

pijn en vrijheid

Voor waar de Stoa de relatie legt tussen pijn en vrijheid, is het natuurlijk veelzeggend dat een van de vaders van deze filosofie, Epictetus, slaaf is geweest. Als ik de Stoa-filosofie goed begrijp, is de vrijheid om met pijn op een evenwichtige wijze om te gaan allerminst ‘stoïcijns’ in de zin waarin dit woord meestal wordt gebruikt: onbewogen, onaangedaan. Keuzevrijheid staat immers haaks op ontkenning. Om je niet te verzetten tegen wat je niet kunt veranderen, is moed nodig, en discipline, oefening. Want om je wil in overeenstemming met de natuur te krijgen, valt niet mee.

We raken hier verschillende interpretaties van het begrip vrijheid.

Als vrijheid betekent, alles doen wat je wilt, ben je niet stoïcijns bezig, maar ben je eerder slaaf van je wil. De Stoïcijn zal zich disciplineren om niet te willen wat niet haalbaar is. Want we zijn altijd vrij om onze wil te buigen. Daarbij ontkennen we niet onze emoties, maar we werken ermee – met een moderne term, we disciplineren onze emotionele intelligentie.

Permanente pijn biedt een uitmundende gelegenheid deze discipline te leren. (In een later hoofdstuk ga ik hier dieper op in.)

 

het is niet eerlijk

Want wanneer we dat niet doen, wanneer we op z’n epicurisch pijn als kwaad zien en de onveranderlijke aspecten van het bestaan niet accepteren, wanneer we het hoofd stuk slaan tegen de muur van de existentie, rijzen er verschillende moreel-gerelateerde vragen.

Waarom ik?’

Het is niet eerlijk.’

Ik ben boos (op God, op het lot).’

Of zelfs, meermalen te zien in EO-programma’s: ‘nu mij dit is overkomen vraag ik me af: bestaat God wel?’

Allereerst zijn hier verschillende, min of meer naieve, vooronderstellingen aan de orde.

De vraag ‘waarom ik’ moge een natuurlijke vraag zijn als hij opkomt, maar in tweede instantie is het ook een egocentrische vraag. Want waarom zou pijn mij niet treffen? Liever een ander?

De ‘waarom’-vraag veronderstelt een doelgericht heelal. Maar het ‘waarom ik (en niet een ander)’ veronderstelt een heelal waarin de pijlen van het lot willekeurig worden afgeschoten en evengoed mij als een ander kunnen treffen. Kortom: ik snap de vraag niet eens.

En als het niet eerlijk is, waarom dan niet? Verdienen we, bij voorbeeld door goed gedrag, dat we niet hoeven lijden? Gaan levensgemak en braafheid hand in hand? En omgekeerd: als we door braaf te zijn pijnloos kunnen leven, zijn we dan niet braaf geweest als pijn ons treft? Is het dan onze eigen schuld?

 

God

Als God er de schuld van krijgt, welk godsbeeld is hier dan impliciet? Een God die mij zal sparen omdat… ik in God geloof, geregeld bid, een goed mens ben???

Ik weet niet of God bestaat, want dat weet niemand (tenzij we ‘weten’ verwarren met ‘geloven’), maar het lijkt me toch dat het geloof in zijn bestaan door zijn volgelingen niet afhankelijk zou moeten zijn van het lot dat hen treft. Zouden die mensen niet weten dat iedereen gehandicapte kinderen kan krijgen, dat ziekten en dood en bederf iedereen kunnen (en zullen) treffen?

Is pijn onverdiend? Niet volgens de christelijke traditie, waar ze als straf gezien wordt, maar ook als middel om heilig te worden. Lees Job, wiens vrienden beter menen te weten dan Job zelf dat pijn verdiend wordt. Neem de mystieke traditie, waarin mensen als Suso zo ver gingen dat ze het lichaam met pijn disciplineerden om zo te leren dichter bij de pijn van Jezus – die vaak ook staat voor de pijn van de wereld – te zijn.

Maar wie denkt dat het verdienen van een pijnloos leven mogelijk is door goede werken, maakt eigenlijk een handeltje met God: voor wat hoort wat.

Aan de andere kant is juist het geloof in een hiernamaals zo hardnekkig omdat daar kan worden rechtgezet wat hier vaak verkeerd gaat: het gaat de onrechtvaardigen wel, en de rechtvaardigen moeten vaak lijden. Of andersom, lijden maakt wie daarvoor geschikt is tot rechtvaardige.

 

Gods almacht

Natuurlijk, het is moeilijk te accepteren dat een ziekte zomaar komt. Als het een gelovige betreft, ligt hier vaak ook een wat beperkte opvatting van Gods almacht aan ten grondslag: alsof God – als die er is – die de schepping, tot ons genoegen en onze vrijheid, veranderlijk dus avontuurlijk, maar dus ook eindig heeft gemaakt, inclusief ziekte en bacillen en microben en wildgroeiende cellen, naar believen een stap terug zou kunnen doen en ingrijpen bij één van zijn lievelingetjes en op verzoek een wonder verrichten.

De theologie wist in de middeleeuwen al beter: vóór de schepping was Gods almacht inderdaad onbeperkt, meende men, God was vrij te scheppen of niet te scheppen, en te scheppen wat en hoe hij wou. Maar eenmaal aan de gang, heeft elke keuze consequenties die die aanvankelijke vrijheid inperken. William van Ockham noemt deze twee soorten almacht resp. de ‘potentia absoluta’ en de ‘potentia ordinata’, en sindsdien worden deze termen vrij algemeen gebruikt. Tegenwoordig schrijven we God, zo al, eigenlijk alleen de geordineerde, de ingeperkte almacht toe, in overeenstemming met de natuurwetten die het heelal regeren. De meeste gelovigen hebben moeite met blatante wonderen, en na de gruwelen van de 20e eeuw is het moeilijk te geloven in een God die ingrijpt waar wij mensen het kwaad doen.

Mogen we boos zijn op God, op het lot? Ik heb het nu niet over de periode kort na de diagnose, de klap, de ingreep die het hele leven verandert en op de kop zet. Ik heb het over aanhoudende boosheid, over de fundamentele afwijzing van het lijden.

Hebben we het recht, de pijn van ons leven niet te voelen? Hebben we recht op geluk? Zelfs in de Amerikaanse grondwet staat niet dat we dat hebben: we hebben daar het recht geluk na te jagen, ernaar te streven – niet meer, niet minder. En dus mogen we met alle middelen proberen pijn te voorkomen, en als dat niet kan, te bestrijden.

Maar als pijn er eenmaal is, kunnen we ons maar beter niet als verwende kinderen gedragen.

 

het meest morele antwoord

Als er twee antwoorden mogelijk zijn op de vraag naar de morele waarde van pijn, zou m.i. dat antwoord de voorkeur verdienen dat het meest moreel is.

Ligt er een morele component in het vermijden van pijn door zichzelf te beschermen, voorzichtig te leven, door zich afhankelijk van anderen te maken? Het lijkt van niet, toch neig ik ertoe.

Niet als het een kwestie van tijd is, wanneer de dood nadert. Niet wanneer de pijn van korte duur is.

Niet, misschien, wanneer men uitsluitend de verantwoordelijkheid voor zichzelf draagt. Wanneer men van niemand houdt, en door niemand wordt bemind. Zulke mensen zullen er niet veel zijn, en ze lijden alleen zelf onder de onvrijheid die ze kiezen door de pijn van hun leven af te wijzen.

Maar wanneer mijn pijn de levens van anderen raakt, heb ik de plicht om hun lijden vanwege mijn pijn zoveel mogelijk te voorkomen. Dit klinkt misschien voor deze tijd overdreven moralistisch, maar in overeenstemming met de Stoa, die immers streeft naar morele volwassenheid, is het wel. Voor de Stoa betekent je leven richten in overeenstemming met de natuur, tevens verantwoordelijkheid voor de ander. Goed met pijn omgaan is altruïstisch. Wie zelf in evenwicht is, draagt bij tot het evenwicht van de hele kosmos.

Het lijkt me dat die opvatting zonder meer voor alle tijden kan gelden: wanneer men in morele zin volwassen is, zal men de zorg voor de ander onder de eigen verantwoordelijkheid rangschikken. Dan heb ik de plicht, voor de Stoa te kiezen, en het epicurisme af te wijzen.

Uiteraard is dit niet een plicht die je anderen kunt opleggen. Moraal is altijd een keuze.