4 Mei: Vrijheid en verscheidenheid

Op 4 mei 2006 mocht ik in Amsterdam  een herdenkingsrede uitspreken.  Helaas is wat ik toen zei vandaag de dag nog onverminderd actueel.

 

1. We staan bij dit monument, op een plaats waar politieke gevangenen werden gefusilleerd, om de individuele mensen te herdenken wier levens door de jaren 40-45 zijn verwoest. Ikzelf denk ieder jaar aan mijn moeder en mijn vader, die in het Kindercomité zaten, één van de vier verzetsgroepen die joodse kinderen naar onderduikadressen brachten; ik denk aan de andere mensen uit het verzet die ik heb gekend, en aan de zo verschillende manieren waarop zij, die overleefden, de oorlog, het onderduiken, hun verblijf in Vught en Ravensbrück, een plaats in hun leven hebben gegeven.

Maar we staan hier ook om ons weer opnieuw te binnen te brengen waaròm dat hen overkwam. Bij herdenken hoort dus onverbrekelijk: voorkomen dat wat toen gebeurde opnieuw gebeurt. Bij herdenken hoort actie.

Maar hoe zit dat dan, want naast wat toen gebeurde lijkt Nederland, ondanks de grote problemen, toch in de wereld van vandaag tamelijk gewoon? Als ik mezelf op die gedachte betrap, denk ik altijd aan wat Hanna Arendt heeft gezegd, in haar boek over Eichmann, over het kwaad. Dat is niet groots of indrukwekkend, maar banaal. We kunnen het vergelijken met onkruid, alledaags spul dat, als je het niet regelmatig uittrekt en vernietigt, de tuin die een paradijs zou kunnen zijn, verandert in een wildernis, een jungle. Als we ‘nooit meer’ zeggen, moeten we niet denken aan onmenselijke gruwelen, maar aan de voedingsbodem die gruwelen uiteindelijk doet woekeren als onkruid.

Met in onze gedachten de joden en zigeuners en homoseksuelen en verstandelijk gehandicapten van toen, zien we hoe hier en nu mensen behandeld worden die anders zijn, verschillend, “verscheiden”: zoals uitgeprocedeerde asielzoekers die, eerst jaren aan het lijntje gehouden dankzij onze bureaucratie, in brandgevaarlijke cellen en op boten worden gedumpt waar de behandeling erger is dan die in reguliere gevangenissen, en waar ze vaak langer dan een half jaar moeten blijven. Indachtig hoe de wetten toen aan de gewenste politieke situatie werden aangepast (Nüremberg), lezen we hier en nu in huis-aan-huis-verspreide folders dat ons recht wordt opgerekt met als argument daarmee terrorisme beter te kunnen bestrijden, en dat dit bovendien, ondanks ernstige twijfel in juridische kringen, wordt voorgesteld als een louter goede zaak. Denkend aan de zes centra die de nazi’s hadden voor kinderen en pubers die asociaal werden geacht en derhalve mochten worden mishandeld en vermoord, luisteren we hier en nu naar  stemmen die roepen om strafkampen en het leger inzetten tegen lastige pubers, voorals als ze ook nog eens van allochtone afkomst zijn.

Zijn de haat en de angst die zich toen op synagogen richtten, werkelijk zo anders dan die nu islamitische scholen en moskeeën treffen?

 

2. Onze vrijheid wordt gewaarborgd door artikel 1 van de grondwet. Ik lees u dat kostbare en onmisbare artikel voor: “Allen die zich in Nederland bevinden – [let wel, je hoeft voor dit artikel dus niet eens nederlander te zijn] – worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

Echte Vrijheid is dus, zoals ook het thema van deze herdenking al aangeeft, onlosmakelijk verbonden met verscheidenheid, en een opvatting van Vrijheid die Verscheidenheid niet eert, is onvrijheid. Alles wat het onkruid van het vijand-denken doet groeien, ondermijnt de samenleving. Door de vrijheid in onze democratie in te bedden in onderlinge gelijkwaardigheid, maakt artikel 1 duidelijk dat vrijheid niet alleen een kwestie is van het individu, maar ook en vooral een sociaal begrip.

Neem de vrijheid van het geweten. In de toon van het integratie-debat klinkt aan één bepaalde kant  de eis door dat nieuwe Nederlanders het met de hollandse normen en waarden eens moeten zijn. Dat mag niet. Hoe mensen zich moeten gedragen mag worden opgelegd en in ons recht vastgelegd, maar  voorschrijven wat mensen moeten denken en vinden is een aantasting van de gewetensvrijheid. Het geweten is de diepste integriteit van de ander.

En dan de vrijheid van meningsuiting, een prachtige vrijheid die wordt overwoekerd waar mensen stellen dat zij het recht om te beledigen omvat. Dat recht bestaat niet: openbare belediging is zelfs strafbaar, en ook al was ze dat niet dan zou ons geweten ons ertegen moeten waarschuwen: hoe kun je spreken van het recht om een ander pijn te doen? Bewust, expres pijn doen òm te kwetsen gaat aan het recht op vrije meningsuiting ver voorbij.

Terecht stelt ons recht grenzen aan ons gedrag, aan onze omgang met de ander: de vrijheid van de een mag de vrijheid van de ander niet aantasten. Je zou dus kunnen zeggen, dat ons recht gebaseerd is op sociale criteria, op zorg voor elkaar. Dat iedereen gelijkwaardig is, betekent niet dat iedere mening evenveel waard is en dat iedere emotie geuit moet worden: daar is een standaard nodig en die standaard is in de eerste plaats de pijn van de ander.

 

3. Gelukkig kunnen we de vrijheid van meningsuiting ook gebruiken om te protesteren. Dat valt vaak niet mee: tegen wat gewoon is geworden, kom je niet makkelijk in Verzet. Immers, wie uitroeptekens zet bij het gewone, lijkt al gauw naief. Maar als het alternatief onverschilligheid is, is naiveteit misschien wel een eigenschap die we moeten koesteren, omdat ze ons de ogen kan openen.

In Hitlers Duitsland kon het zover komen omdat bepaalde groepen in de samenleving apart werden gezet, ook in het dagelijks bewustzijn van het volk. Zulk isolement treft echter niet alleen degenen die apart gezet worden, maar iedereen: omdat ze de basis van een goede samenleving ontkent, waarin we immers allemaal met elkaar verbonden zijn. Laten we van Nederland een land maken, waar niemand zich voor hoeft te schamen, een tuin van verscheidenheid, met zorgzaamheid gewied. Dan kunnen we met recht zeggen: nooit meer.