Agnost

Ik ben een echte agnost.

Een agnost is iemand, letterlijk, die het niet weet, en het woord wordt vaak een beetje verkeerd toegepast in de discussie tussen gelovers en weters. Je hebt gelovers, je hebt atheïsten, en je hebt agnosten. Meestal denken mensen bij ‘agnost’ dan aan iemand die dichtbij het atheïsme staat maar dat zo’n beetje niet wil toegeven, maar voor mij staat het ‘niet weten’ naar twee kanten open. En mijn niet-weten is niet passief, maar actief. Het niet-weten is niet het eindpunt, maar juist het vertrekpunt naar het bedrijven van theologie. Deze vorm van theologie bestaat al een paar honderd jaar, en ze heet religie-filosfie.

Niemand weet meer over God dan een ander (hoewel er natuurlijk veel mensen zijn die meer weten over wat er over God is gezègd dan een ander). We weten het niet. Het kan, en het kan ook van niet.

Atheïsme is niet open, en daarmee voor mij niet interessant. Je ziet ook bij boze atheïsten dat ze steeds meer op gelovers gaan lijken. Ze verwarren ‘geloven’ met ‘weten’ en ze willen iedereen bekeren naar hun standpunt, en zo niet, dan ben je dom. Saaie boel.

Met ‘weten’ wordt hier het wetenschappelijk weten bedoeld. Kant, zelf zeer gelovig, heeft al aangetoond dat het godsbewijs nooit geleverd kan worden. Maar ook de wetenschap zal nooit stellen dat datgene wat niet bewezen kan worden daarom niet waar kan zijn.

Interessante/ goede/ integere theologen maken niet de fout, geloven en weten gelijk te stellen. Voor hen is er de wetenschappelijke waarheid, en de waarheid van het andere weten, van het weten met het hart, of het weten met het gevoel. Voorzover dat andere weten God betreft, heet het ‘geloven’. Alles wat hart en gevoel betreft valt buiten het strikt bewijsbare, maar daarom is het nog niet minder een existentiëel deel van ons leven. Kunnen we liefde bewijzen? Nou dan. En liefde zou wel eens de kracht kunnen zijn die de wereld redt…

Bij ‘het kan’ hoort de theologie, en bij ‘het kan ook van niet’ hoort dus de filosofie. Twee prachtige denkdisciplines die keer op keer dezelfde vragen stellen en proberen op die vragen een antwoord te geven. Vaak zijn die antwoorden fascinerend, maar omdat het steeds om dezelfde vragen gaat – wat is het goede, wat is de zin van het leven, wat kan ik weten, en zo voorts – kun je op je vingers natellen dat de antwoorden nooit meer zijn dan een ontwerp, een hypothese. Zodra een antwoord geldig wordt verklaard is voor mij de lol er af.

Maar met de hypotheses – zowel de theologische als de filosofische – wil ik van harte meedenken, want die bezorgen me veel vreugde. Het mag een wonder heten dat ik in dat meedenken een wezenlijke ontmoeting kan beleven met mensen die honderden jaren eerder hebben geleefd. Deel hebben aan wat iemand ten diepste beweegt, is vriendschap. Zo ben ik bevriend met Eckhart, met Freud, met Marcus Aurelius en Socrates, met Leibniz en met Malebranche, met Locke en met Hume (ik beperk me hier even tot de denkvrienden van eventjes geleden). En zoals met alle vriendschappen het geval is: soms irriteren ze me mateloos, en soms doen ze me naar adem happen vanwege hun inzicht of brengen ze me tot tranen vanwege het gevoel van verwantschap. Als er, zoals Augustinus hoopte, in de hemel ruimte is je vrienden te ontmoeten voor een goed gesprek, ga ik graag in die hypothese mee, ook al kan ik niets met het idee van een hiernamaals, dat vooral schijnt te dienen om troost te bieden ter compensatie van al het onrecht waar het leven bol van staat.

Ik weet dat er mensen zijn die juist snakken naar antwoorden. Misschien zijn die mensen zelfs wel in de meerderheid. Maar voor mij ligt het avontuur in het niet-weten. ‘Het kan van niet’, maar ‘het kan ook van wel.’ Vanuit het weten, maar even goed vanuit het niet weten, scheppen we noodzakelijkerwijs een beeld. Maar dat beeld is niet vogelvrij: ook als we niet-weten moet het kloppen met wat we wel weten.

Ik meen ooit gelezen te hebben dat Erasmus al voorstelde al voor, te leven etsi Deus daretur, ‘ alsof God er is’. Een goed idee. Dus stel even dat, hoe stel ik me God dan voor?

Als de wereld en het heelal niet ontstaan maar gemaakt zijn, dan is God creativiteit. En omdat je houdt van en zorgt voor wat je maakt, is God liefde en zorgzaamheid..

En kracht, reken maar. De kracht waarmee de bloemknop zich uit de stengel perst, is al onvoorstelbaar. En met de bloemknop noemen we de heerlijkheid.

Omdat God zich onttrekt aan het weten, is God – als ie er is – vrijheid.

Maar een God die lievelingetjes heeft, nee. Iedereen hoort bij wat Mary Oliver dicht in Wild geese: ‘the family of things’. Dus sorry, geen uitverkoren volk. En evenmin een God die zich laat vermurwen of manipuleren de natuurwetten even opzij te zetten of de tijd terug te draaien voor brave gelovigen of vurige smekers. Bovendien is Gods eigen vrijheid natuurlijk, nu de schepping er eenmaal is, voorwaardelijk geworden. Die natuurwetten blijven draaien, ook al is wat men het ‘natuurlijk kwaad’ noemt, er het gevolg van: vulkanen, tsunami’s, kankercellen.

Zullen we maar even, puur hypothetisch natuurlijk, onze creativiteit, onze liefde, onze zorgzaamheid, onze ruimte en vrijheid, onze inspiratie, onze vreugde … als van God noemen?

Of niet.

2015