Gedachten over de grenzen van het vrije woord

In de huidige discussie over de vrije meningsuiting spelen drie ethische en deels ook juridische principes, die hier en daar met elkaar botsen:

1. het recht op de vrije meningsuiting;

2. de gelijkwaardigheid zoals die in artikel 1 van de grondwet is vastgelegd, een recht dus maar ook een sociaal-ethisch principe;

3. het morele gebod elkaar niet onnodig pijn te doen, ook in niet-fysieke zin, het ethisch principe van geweldloosheid dat volgt uit Kant’s categorische imperatief, het ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, zo doe dat ook een ander niet’, en uit het ‘hebt uw naaste lief als uzelve’. 

Eerst ga ik elk van de drie principes verkennen, dan analyseren waar ze met elkaar in strijd lijken, en ten slotte proberen de grenzen van de vrije meningsuiting te bepalen. Om te beginnen kunnen we al zeggen dat ze niet alle drie van dezelfde orde zijn, noch juridisch, noch ethisch-moreel, hetgeen totnogtoe de discussie veelal heeft vertroebeld.

 

1. De vrije meningsuiting.

 

Het lijkt me duidelijk dat zeker waar het om kunst en politieke satire gaat, alles gezegd moet kunnen worden. In politieke satire wordt de vrije meningsuiting dan gebruikt zoals Voltaire die bedoelde: om macht van kerk en staat aan de orde te stellen. Kunst mag kwetsen en daarmee taboes aan de orde stellen. Kunst verdraagt geen censuur.

Hetzelfde geldt voor journalistiek en alles in de media dat het kritisch denken bevordert. De strijd tegen hypocrisie en onvrijheden als fundamentalisme en ongelijke rechten is altijd noodzakelijk, en de noodzaak van taboes moet met regelmaat worden onderzocht.

Soms is kwetsen dus nodig. En als aan een paar voorwaarden zou zijn voldaan, zou iedereen mogen kwetsen, mits:

- kwetser de gekwetste als gelijkwaardige beschouwt;

- het kwetsen nodig en belangrijk wordt geacht in  het kader van de vrije meningsuiting;

- er zelfonderzoek aan het kwetsen is voorafgegaan: als de kwetser ervan overtuigd is dat het kwetsen een goede zaak dient, die verder reikt dan de gekwetste, en niet uit agressie voortkomt. Let wel: zelfonderzoek, geen zelfcensuur – iets waar met name  een kunstenaar  heel erg voor moet oppassen, omdat zelfcensuur gevaarlijk is voor de artstieke ontwikkeling.

 

Maar, zoals we allemaal weten, zo gaat het in de praktijk niet. Meestal is het, wanneer een groep wordt gekwetst, overduidelijk dat die groep als minderheidsgroep wordt gevoeld en niet al gelijkwaardig. Daarom is bescherming nodig, opdat mensen die gekwetst worden niet uit angst blijven zwijgen. Maar bescherming tegen gekwetst worden is slecht geregeld. Discriminatie is bij de wet verboden, kwetsen niet. 

 

In tegenstelling tot wat Rutte zegt, dat de vrijheid van het woord absoluut zou zijn, zijn er dus wel een paar grenzen aan de vrije meningsuiting gesteld: met name waar ze in conflict komt met het verbod op discriminatie (artikel 1). Helaas is discriminatie zals die nu is geformuleerd, niet gemakkelijk aan te tonen.

Bevendien is vastgelegd dat het koningshuis niet beledigd mag worden, en de Holocaust mag niet worden ontkend. Mij lijken deze uitzonderingen niet geldig, ook de tweede helaas niet, tenzij er in die ontkenning een evidente discriminatie meespeelt, wat gelukkig vaak het geval is. Waarom is joden beledigen door de Holocaust te ontkennen wel strafbaar, en de profeet van Mohammedanen beledigen niet? Omdat het beledigen van de profeet niet onder ‘discriminatie’ te rangschikken valt. Lastig!

 

Kunst mag dus in ieder geval wel beledigen. Maar kunst herhaalt zichzelf niet nodeloos. Dat betekent dus, dat een karikatuur die nadat er problemen door zijn ontstaan opnieuw pesterig wordt verpreid, niet meer als kunst mag worden aangemerkt. Evenmin als we nog van satire kunnen spreken als we ermee worden doodgegooid. Eindeloos karikaturen van Mohammed tekenen is kunst noch satire meer, en verspeelt de bewegingsruimte die de kunstenaar krijgt voor het vrije woord.

Als het om niet-kunstenaars of satiristen gaat, is het feit dat alles gezegd mag worden geen vrijbrief. Een zo kostbare vrijheid moet ergens voor staan. We misbruiken die vrijheid als we haar gebruiken voor onbenullig gezeur. Het moet over belangrijke dingen gaan, anders zou de vrijheid van meningsuiting een lege huls zijn.

Dit aspect kom ik in de discussie niet tegen, behalve zijdelings bij Schinkel die stelt: als de discussie alleen maar gaat over dat alles gezegd moet kunnen worden, en niet over of wat gezegd wordt waarde heeft, hoe kan het recht dan nog belangrijk zijn? (In de Groene Amsterdammer 21-12015 : ‘het scharnierpunt van de democratie is dus een lege huls.) Ik denk dat hier een kernpunt ligt: wat gezegd wordt moet waarde hebben om een zo kostbare vrijheid waar te maken.

Dat leidt tot de vraag: wanneer heeft een mening waarde?

Als ze authentiek is en geen napraterij. Als ze voor de spreker belangrijk is. Nodig. Je mag alles zeggen maar het hoeft niet.

Is het nodig keer op keer op keer een karikatuur van Mohammed te maken? Charlie Hebdo keeg een prijs in New York voor getoonde moed op het gebeid van de Vrije Meningsuiting, maar 150 leden van de PEN zegden af omdat ze de karikaturen niet ‘nodig/noodzakelijk/ vonden. (Trouw 5/5/15).

Ik zou hier graag aan toevoegen dat een vrije meningsuiting waarde heeft als ze bereid is tot discussie, maar helaas, dat is teveel gevraagd. Juist het taboekarakter kan een mening zo kwetsbaar maken dat discussie niet mogelijk is; dit geldt voor zowel ‘linkse’ als ‘rechtse’ meningen. En dat geldt ook voor situaties waarin wel degelijk gelijkwaardigheid aan de orde is.  

Maar we mogen de waarde van een mening wel in verband brengen met het doel ervan: beledigen om te beledigen verschaft een mening geen waarde, integendeel.

 

 

2. Het gelijkwaardigheidsprincipe.

(Vaak gebruikt men het woord ‘gelijkheid’ hier, ook in de wet, maar toch is dat iets anders. Gelijke rechten gelden voor gelijkwaardige mensen.)

 

Ik schreef al dat discriminatie niet gemakkelijk is aan te tonen, en voor een deel komt dat omdat het gelijkwaardigheidsprincipe ontkent dat er in onze cultuur sprake van discriminatie is – en toch is dat zo, al zullen velen dat ontkennen omdat het een ongemakkelijke waarheid is: op dit moment in de geschiedenis zijn moslims in West-Europa een kwalitatieve minderheidsgroep en immigranten tweederangsburgers. Voltaire bevocht de vrije meningsuiting omdat kerk en staat die niet toestonden; hier zien we eigenlijk precies het omgekeerde: een al bestaande ongelijkheid wordt door kwetsende ‘vrije meningsuitingen’ versterkt. Trudeau zei: minderheden satiriseren heeft een bedenkelijke kant – maar het lastige is dus dat moslims voor de wet geen kwalitatieve minderheid zijn, en dat het feit dat ze dat in de dagelijkse werkelijkheid wel degelijk zijn met een beroep op de wet wordt ontkracht. ‘Zijn’ en ‘zouden moeten zijn’ worden hier door elkaar gehaald.

In de vrouwenbeweging heb ik geleerd dat de meerderheid niet mag bepalen waar de minderheid kwetsbaar is, doch alleen die minderheid zelf. Datzelfde geldt hier voor moslims en andere minderheidsgroepen: wij hebben niet het recht uit te maken dat ‘zij’ zich diep gekwetst voelen door wat ‘wij’ zeggen over hun profeet, of over Zwarte Piet, wij hebben het recht niet voor hen te bepalen wat pijn doet. De minderheid, degene die de pijn voelt, mag het zeggen. En heeft recht op bescherming. 

Anders geformuleerd: De meerderheid heeft hier een mening, de minderheid een overtuiging.

Helaas gebeurt in de praktijk het omgekeerde: religieuze kwetsbaarheid wordt afgedaan als beetje onzin, of, als die kwetsbaarheid op een agressieve manier wordt verdedigd, als ‘censuur’.

 

Het zou te denken moeten geven dat de vrije meningsuiting het felst wordt verdedigd als de kwetsbaarheid van een minderheidsgroep op het gebied van religieuze principes in het geding is.

Daar komt dan nog bij dat de ene minderheidsgroep de andere niet is. Orthodoxe mannelijke Joden geven onbekende vrouwen geen hand, maar daar valt niemand over – zoals wel het geval was toen een imam minister Verdonk geen hand wilde geven. Joden worden meegenomen in het gedoe over ritueel slachten, maar over hun verbod op afbeeldingen van levende wezens wordt niet gerept, sterker nog, ik denk dat de meeste mensen niet eens weten dat Chagall met zijn figuratieve schilderijen welbewust iets deed dat de Tora verbood.

 

 

3. ‘We doen elkaar geen pijn’

 

Dit is, waar het om kwetsen van een groep gaat, niet slechts een morele verplichting die tot de persoonlijke sfeer behoort, en kan dus ook niet worden afgedaan als overgevoelige onzin. Het ingewikkelde met morele zaken is dat ze zo makkelijk in de subjectieve sfeer getrokken kunnen worden. Zelf vind ik dat ‘we doen elkaar geen onnodige pijn’ tot de rechten van de mens zou moeten behoren, maar zo lang er ook nog mensen zijn die die de doodstraf voorstaan, zal het nog wel even duren tot het, zo ooit, een algemeen moreel principe wordt. Het feit dat de tegenpartij, de gekwetsten, juist in de doodstraf geloven die ze de karikaturisten mogen opleggen, zou niets aan de morele opdracht mogen veranderen, omdat die immers niet conditioneel mag zijn. Wij doden niet, wij doen geen pijn, onafhankelijk van het feit dat anderen het wel doen.

Wij laten ons gedrag niet bepalen door het gedrag van de ander.

Hiermee vervalt m.i.ook  de rechtvaardiging van het opnieuw verspreiden van afgestrafte karikaturen in andere media, zoals we een paar jaar geleden zagen na de deense karikatuur van Mohammed, en nu weer na Charlie Hebdo. Een fanatieke gewelddadgie minderheid straft een karikatuur van de profeet af, omdat de moslims kwetst, en dat geeft ons het recht alle moslims door het opnieuw verspreiden van die karikatuur nog eens lekker bovenop te kwetsen. Wat betekent het dus echt om op die manier te verklaren dat je solidair bent met Charlie Hebdo in het kwetsen van een bevolkingsgroep? Dan transformeer je door die herhaling de vrije meningsuiting tot kwetsuur. Solidariteit stelt in mijn ogen niet veel voor als ze gepaard gaat met het kwetsen van anderen: want dan is de solidariteit een harde keuze voor de eigen groep, en komt niet voort uit sociale bewogenheid. Wat voor solidariteit is dat? Zijn er geen andere manieren zijn om solidariteit te betuigen?

 

Solidariteit is zorgzaamheid. Zorgzaamheid voorkomt kwetsen.

Zorgzaamheid is kenmerk van morele volwassenheid, die niet kan worden afgedwongen maar een verworvenheid die ieder voor zich individueel zou moeten bereiken – en maar al te vaak, juist omdat het een vrije keuze is, gebeurt dat niet. Dit is de reden dat het kwaad in de wereld blijft bestaan. Nu zal onnodig kwetsen niet altijd kwaad zijn: vaak zal het kortzichtig zijn, en dom, maar de gevolgen zijn serieuzer dan men wellicht meent. Het gebeurt maar al te vaak ook vanuit een vermeende morele superioriteit, omdat men ervan uitgaat dat onze westerse waarden de beste zijn. In ieder geval zal deze houding niet leiden tot dialoog.

Als men moslims al in onze cultuur wil ‘opvoeden’, dan gaat dat dus niet lukken als ze zich door ons gekwetst voelen. Kwetsbare en gekwetste mensen zoeken steun bij elkaar, en zullen zich eerder vastbijten in hun heilige schrift dan die aan een verlichte herinterpretatie onderwerpen.

 

 

4. drie verschillende principes bijeengebracht

 

Vrije meningsuiting is een recht; gelijkwaardigheid is in het eerste artikel van de grondwet een wettelijk maar in de praktijk vooral een sociaal-ethisch principe dat iedereen in theorie zal onderschrijven, en ‘elkaar geen pijn doen’ is een morele verplichting die slechts door een minderheid, in de vorm van geweldloosheid en zeker in de vorm van ‘elkaar niet kwetsen’, als dwingend wordt gevoeld.

In onze cultuur wordt een recht belangrijker gevonden dan een morele verplichting.

Waarom? Omdat een morele verplichting tot de persoonlijke sfeer lijkt te behoren en ook vaak behoort, en een recht tot de openbare ruimte. En al kan men als men zich ongelijkwaardig behandeld voelt een beroep doen op de wet, in kwetsen voorziet de wet (nog?) niet, tenzij het een duidelijk geval van discriminatie is, of aanzetten tot geweld.

Bovendien is een morele verplichting een persoonlijke verworvenheid, hetgeen al blijkt uit het feit dat mijn moraal de uwe niet is. Men heeft evenveel recht vóór oorlog te zijn, als ertegen. Een morele plicht kan niet van bovenaf worden opgelegd, ten minste, zo voelen wij dat tegenwoordig, dankzij Verlichtingsfilosofen als Hume en Kant.

Orthodox religieuze mensen voelen dat vaak anders.

Toch mag dat onze geweldloze overtuiging niet beïnvloeden.

Herhaling transofrmeert de vrije meningsuiting tot kwetsuur. Als men marokkanen stelselmatig ‘geiteneukers’ noemt, is dat regelrecht kwetsen, en geen vrije meningsuiting wordt daarmee gediend. Daar ligt dus een duidelijke grens. Een andere zou liggen bij de waarde en de noodzaak van de uiting, maar dat inzicht hebben we nog lang niet bereikt: de gevoelde anonimiteit van de sociale media hebben onderbuikgevoelens een soort toestemming gegeven om er maar lustig op los te roepen. Als er 700 bootvluchtelingen verdrinken lees ik in het commentaar op het krantenartikel dat er gejuicht wordt: weer idem zoveel minder monden die onze sociale zekerheden opvreten. Of denk aan de doodsbedreigingen die mensen met een onpopulaire mening tegenwoordig via sociale media zo makkelijk krijgen toegvoegd. In dat licht lijkt de plicht tot zorgzaamheid een lachertje – maar het is het enige middel om de wereld leefbaar te houden. We moeten die kracht opbrengen, in vrije mondigheid.